ECLI:NL:PHR:2007:BB6946

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10717
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 RvArt. 111 RvArt. 140 RvArt. 120 RvArt. 121 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid cassatiedagvaarding wegens ontbreken verplichte aanzegging bij verstekverlening

In deze zaak stond centraal de vraag of verstek kon worden verleend tegen meerdere gedaagden in cassatie, terwijl in de dagvaarding niet de wettelijk voorgeschreven aanzegging van het rechtsgevolg bij niet-verschijnen was opgenomen. Het geschil betrof een vordering tot ontruiming van een huurwoning, waarbij eiseres tot cassatie niet ontvankelijk was verklaard omdat zij niet meer bestond ten tijde van de procedure.

De dagvaarding in cassatie werd uitgebracht zonder de in artikel 111, lid 2, sub j Rv voorgeschreven aanzegging, die vereist is wanneer meerdere gedaagden worden gedagvaard. De Hoge Raad stelde vast dat het ontbreken van deze aanzegging de dagvaarding nietig maakt, waardoor verstekverlening niet kan plaatsvinden.

De Hoge Raad verwees naar de wetsgeschiedenis en de wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die de verplichtingen omtrent aanzeggingen bij dagvaardingen in cassatie regelen. Op grond van artikel 121 Rv Pro dient in geval van nietigheid de eiser een nieuwe roldatum te krijgen en de dagvaarding met herstel van het gebrek aan de gedaagde aan te zeggen.

De conclusie luidde dat de dagvaarding nietig is en dat de rechter een nieuwe roldatum moet bepalen, waarbij eiseressen tot cassatie verplicht worden het herstel van het gebrek in de dagvaarding aan te brengen en aan te zeggen. Hierdoor kan de procedure op correcte wijze worden voortgezet.

Uitkomst: De cassatiedagvaarding is nietig verklaard wegens ontbreken van verplichte aanzegging, waardoor geen verstek kan worden verleend en een nieuwe roldatum met herstel wordt gelast.

Conclusie

Rolnummer: 07/10717 HR
Mr. Wuisman
Rolzitting: 5 oktober 2007
CONCLUSIE inzake:
1. Stichting Algemene Woningstichting Houten,
2. Stichting Viveste h.o.d.n. Algemene Woningstichting Houten,
eiseressen tot cassatie,
tegen
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
verweerders in cassatie.
Deze conclusie betreft een verzoek van eiseressen tot cassatie om verstek te verlenen tegen verweerders in cassatie.
1. Het materiële geschil tussen partijen in de vorige instanties betreft een vordering van eiseres tot cassatie sub 1 jegens verweerders tot cassatie tot ontruiming van een huurwoning. In deze vordering is eiseres tot cassatie sub 1 door het hof Amsterdam, met zittingsplaats Arnhem, bij eindarrest d.d. 29 mei 2007 niet ontvankelijk verklaard. Aldus beslist het hof na geconstateerd te hebben dat eiseres tot cassatie reeds ten tijde van het instellen van de vordering bij de rechtbank Utrecht, sector kanton, niet meer bestond en dus niet de bevoegdheid had om in rechte op te treden.
2. Van genoemd eindarrest en een daaraan voorafgaand tussenarrest d.d. 6 maart 2007 zijn eiseressen tot cassatie in cassatie gekomen bij een exploot van dagvaarding, dat op 24 juli 2007 ten kantore van de procureur in appel van verweerders in cassatie is uitgebracht.
3. Op de aangezegde eerst dienende dag, 7 september 2007, zijn beide verweerders in cassatie niet verschenen. Eiseressen tot cassatie hebben verzocht om tegen verweer-ders in cassatie verstek te verlenen.
4. Gebleken is dat in de cassatiedagvaarding niet, zoals in het - krachtens artikel 407, lid 1 Rv ook in cassatie - toepasselijke artikel 111, lid 2, sub j Rv voorgeschreven, de aanzegging van het rechtsgevolg als vermeld in artikel 140, lid 2 Rv is opgenomen. Aangezegd of medegedeeld dient te worden: indien er meer gedaagden zijn en er is ten minste een van hen in het geding verschenen, dan, indien ten aanzien van de niet verschenen gedaagden de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, wordt niet alleen tegen hen verstek verleend en tussen de eiser en de verschenen gedaagden voortgeprocedeerd, maar wordt ook tussen alle partijen één vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
5. In aanvulling op het voorgaande wordt nog het volgende onder de aandacht gebracht.
5.1 In lid 2 van artikel 407 Rv Pro wordt voor de dagvaarding in cassatie met zoveel woorden bepaald dat in die dagvaarding niet de aanzegging genoemd in artikel 111, lid 2, sub i Rv hoeft te worden opgenomen. Dit geldt sinds de inwerkingtreding op 13 oktober 2005 van de wet van 8 september 2005, Stb. 2005, 455((1)). Voordien, d.w.z. vanaf 1 januari 2002 - de dag waarop het 'nieuwe procesrecht' in werking trad -, diende ook de aanzegging genoemd in artikel 111, lid 2, sub i Rv((2)) in de cassatiedagvaarding te worden opgenomen.
5.2 De hiervoor in 5.1 omschreven wijziging van artikel 407, lid 2 Rv heeft in 2005 ook het op de appeldagvaarding betrekking hebbende artikel 343 Rv Pro ondergaan. De wijziging van artikel 343 Rv Pro wordt in de Memorie van Toelichting((3)) bij het betreffende wetsontwerp als volgt toegelicht:
"Verduidelijkt wordt dat de dagvaarding in hoger beroep de in artikel 139 genoemde Pro rechtsgevolgen verbonden aan het niet verschijnen door gedaagde niet hoeft te vermelden. Toewijzing van de vordering tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt, doet zich in hoger beroep immers niet voor (zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 99). Wel dient de dagvaarding in hoger beroep het in artikel 140, tweede lid, genoemde rechtsgevolg te vermelden, dat intreedt als bij meer gedaagden niet alle gedaagden verschijnen. In dat geval geldt ook in hoger beroep dat de uitspraak mede ten aanzien van de niet verschenen gedaagden als een uitspraak op tegenspraak wordt beschouwd."
Naar deze redengeving voor de wijziging van artikel 343 Rv Pro wordt verwezen bij de toelichting op de wijziging van artikel 407, lid 2 Rv((4)).
5.3 Uit het voorgaande volgt dat het handhaven voor de cassatiedagvaarding van het voorschrift in artikel 111, lid 2, sub j Rv bewust is geschied.
6. Uit artikel 120, lid 1 Rv volgt dat het ontbreken in de dagvaarding van de hiervoor in 4 genoemde mededeling de nietigheid van de dagvaarding meebrengt.
7. Artikel 121, lid 1 Rv houdt in, voor zover te dezen van belang, dat, wanneer een gedaagde niet verschijnt, tegen hem geen verstek kan worden verleend indien het exploot van dagvaarding aan een gebrek lijdt dat nietigheid meebrengt((5)).
8. Omdat de in de onderhavige zaak uitgebrachte cassatiedagvaarding nietig is, kan niet tot verstekverlening worden geconcludeerd.
9. Artikel 121, lid 2 Rv voorziet erin dat de rechter, wanneer hem blijkt dat het exploot van dagvaarding aan een gebrek lijdt dat nietigheid meebrengt, een nieuwe roldatum bepaalt en de eiser beveelt het bepaald zijn van een nieuwe roldatum bij exploot aan de gedaagde aan te zeggen met herstel van het gebrek op kosten van de eiser. Ingevolge lid 3 van artikel 121 Rv Pro ziet de rechter echter van toepassing van het in artikel 121, lid 2 Rv bepaalde af, wanneer het hem aannemelijk voorkomt dat het exploot van dagvaarding de gedaagde als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt. In dat geval spreekt de rechter de nietigheid van de dagvaarding uit.
10. Het komt voor dat het geval bedoeld in artikel 121, lid 3 Rv zich in de onderhavige zaak niet voordoet, zodat aan het in artikel 121, lid 2 Rv bepaalde toepassing kan worden gegeven.
Op grond van het bovenstaande luidt de conclusie: in overweging wordt gegeven om op de voet van artikel 121, lid 2 Rv een nieuwe roldatum te bepalen en aan eiseressen tot cassatie het bevel te geven die nieuwe roldatum aan verweerders in cassatie bij exploit aan te zeggen en bij die gelegenheid tevens de in artikel 111, lid 2, sub j jo. 140, lid 2 Rv bedoelde aanzegging te doen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1. Wet Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuw procesrecht.
2. Voor 13 oktober 2005 was hetgeen thans in artikel 111, lid 2, sub i en j is bepaald, nog tesamen ondergebracht in artikel 111, lid 2, sub i Rv.
3. TK 2002-2003, 28 863, nr.3, blz. 10.
4. TK 2002-2003, 28 863, nr.3, blz. 11.
5. Zou worden doorgeprocedeerd zonder verstekverlening biedt artikel 425 Rv Pro de mogelijkheid om van het arrest van de Hoge Raad in verzet te komen.