ECLI:NL:PHR:2007:BB7650
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens berusting in arrest hof inzake vernietiging huwelijkse voorwaarden
Eiseres was gehuwd geweest met betrokkene 1 en had na echtscheiding een geschil over de vernietiging van huwelijkse voorwaarden en verdeling van de gemeenschap van goederen. Zij vorderde vernietiging van de akte huwelijkse voorwaarden, het echtscheidingsconvenant en de verdelingsakte, stellende dat zij was misleid en bedrogen.
De rechtbank verklaarde haar vordering niet-ontvankelijk wegens vervaltermijn van art. 3:200 BW Pro. Het hof bekrachtigde dit oordeel en wees de subsidiaire vordering tot schadevergoeding af, omdat art. 3:200 BW Pro zich verzet tegen het aanvechten van de verdeling na vervaltermijn via onrechtmatige daad.
Eiseres stelde cassatieberoep in tegen het oordeel over de subsidiaire vordering. Verweerster stelde niet-ontvankelijkheid wegens berusting in het arrest van het hof, gebaseerd op een brief van de advocaat van eiseres waarin werd medegedeeld dat geen cassatie zou worden ingesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat berusting inhoudt dat de partij ondubbelzinnig kenbaar maakt zich neer te leggen bij de uitspraak en afstand doet van het recht op rechtsmiddel. De brief van 16 januari 2007 en de daaropvolgende fax bevestigden dat eiseres zich bij het arrest had neergelegd, ondanks latere mededeling alsnog cassatie te zullen instellen.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat een rechtsontwikkeling binnen de cassatietermijn berusting zou doorbreken, omdat het nieuwe arrest geen nieuwe leer bevatte maar een bevestiging van bestaande rechtspraak. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens berusting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens berusting in het arrest van het hof.