ECLI:NL:PHR:2007:BB9236
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en kwalificatie van vaststellingsovereenkomst bij geschil over koopprijs huurpand
In deze zaak stond centraal of een tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij de koopprijs van een gehuurd pand door drie makelaars-taxateurs werd vastgesteld, moest worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst. De eiseres vorderde schadevergoeding wegens een volgens haar foutieve taxatie, maar deze vordering werd in hoger beroep afgewezen. De Hoge Raad bevestigde dat overeenkomsten waarin derden bevoegd zijn om bepaalde elementen vast te stellen, als vaststellingsovereenkomsten kunnen worden gekwalificeerd.
De Hoge Raad benadrukte dat de strekking van een vaststellingsovereenkomst is om geschillen definitief te beëindigen, waardoor de ruimte voor betwisting beperkt moet zijn tot gevallen waarin vasthouden aan de vaststelling onaanvaardbaar is volgens redelijkheid en billijkheid. De klachten van de eiseres werden grotendeels verworpen, waarbij het hof terecht de overeenkomst als vaststellingsovereenkomst kwalificeerde en de uitleg van de contractsbepalingen als begrijpelijk en plausibel beoordeelde.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de eiseres geen belang had bij klachten tegen de verdere overwegingen van het hof, omdat het hof primair had geoordeeld dat de verjaringstermijn voor vernietigbaarheid was verstreken. De Hoge Raad verwierp de cassatie en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de taxateurs uitgingen van de bestaande huurwaarde, wat niet onbegrijpelijk was gezien de stellingen van de eiseres zelf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd, waarmee de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.