ECLI:NL:PHR:2007:BB9608
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid Nederlands recht op gezagswijziging minderjarige met Egyptische nationaliteit
In deze zaak gaat het om de vraag welk recht van toepassing is op een verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag over een minderjarige. De vader en moeder, gehuwd onder Egyptisch recht, zijn gescheiden en het kind verblijft bij de moeder in Nederland. De moeder verzocht de rechtbank om alleen het gezag te krijgen. De rechtbank en het hof wezen dit verzoek toe en stelden dat Nederlands recht van toepassing is omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
De vader ging in cassatie tegen het oordeel dat Nederlands recht van toepassing is en stelde dat Egyptisch recht van toepassing zou moeten zijn, mede vanwege de Egyptische nationaliteit van partijen en het kind en de vermeende ontvoering van het kind door de moeder naar Nederland.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel. De Brussel IIbis-Verordening is niet van toepassing op de vraag naar het toepasselijke recht, en het Haags Kinderbeschermingsverdrag verplicht toepassing van het recht van de verblijfplaats van het kind. De stelling dat het kind zijn gewone verblijfplaats in Egypte heeft behouden, werd niet onderbouwd en het hof mocht aannemen dat de gewone verblijfplaats in Nederland is. Het middel voldeed niet aan de eisen voor cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag en wijst het cassatieberoep van de vader af.