ECLI:NL:PHR:2008:AT4921
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over naheffingsaanslag omzetbelasting en toepassing artikel 29 Wet OB 1968
Belanghebbende X N.V. verrichtte leveringen van medische apparatuur aan het a-ziekenhuis en bracht daarvoor omzetbelasting in rekening en af. Na wijziging van de contracten waarbij A B.V. werd ingeschakeld, werden creditfacturen uitgereikt en betalingen herverdeeld, zonder dat sprake was van teruglevering van goederen.
De Inspecteur legde aan X een naheffingsaanslag omzetbelasting op wegens ten onrechte in aftrek gebrachte omzetbelasting op de creditfacturen. Het Hof verklaarde het beroep van X gegrond, oordeelde dat X recht had op teruggaaf op grond van artikel 29 Wet Pro OB 1968 en dat de naheffing onterecht aan X was opgelegd in strijd met goed bestuur.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in, stellende dat het Hof ten onrechte artikel 29 toepaste Pro omdat geen sprake was van een prijsvermindering in de zin van die bepaling en dat de naheffing terecht aan X was opgelegd. De Hoge Raad concludeert dat het Hof ten onrechte oordeelde dat X recht had op teruggaaf, omdat de vermindering van vergoeding niet verband hield met de levering van goederen, en bevestigt dat de naheffing aan het a-ziekenhuis had moeten worden opgelegd.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de uitleg van artikel 29 Wet Pro OB 1968 en de corresponderende bepalingen uit de Zesde richtlijn, de jurisprudentie over levering, teruglevering, prijsvermindering en de toepassing van artikel 37 Wet Pro OB 1968. Tevens wordt ingegaan op de beginselen van behoorlijk bestuur en de fiscale neutraliteit. De conclusie is dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar aan de verkeerde partij, en dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de naheffingsaanslag omzetbelasting is terecht opgelegd, maar had aan het a-ziekenhuis moeten worden opgelegd en niet aan X N.V.