ECLI:NL:PHR:2008:AY8475
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Recht op aftrek voorbelasting bij aanleg metro-infrastructuur door gemeente
De Gemeente Amsterdam heeft de Noord/Zuidlijn aangelegd, een metroverbinding die uitsluitend wordt gebruikt voor het personenvervoer door het gemeentelijke vervoerbedrijf GVB. De centrale vraag is of de gemeente recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die zij heeft betaald over de aanlegkosten. De inspecteur heeft de teruggaaf grotendeels geweigerd, omdat de aanleg volgens hem een overheidstaak betreft en niet binnen de ondernemingssfeer valt.
De discussie spitst zich toe op de interpretatie van artikel 4, vijfde lid, van de Zesde richtlijn en artikel 15 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968. Jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Hoge Raad wordt uitgebreid besproken om te bepalen wanneer een publiekrechtelijk lichaam als ondernemer optreedt en wanneer als overheid. Daarbij is het begrip 'specifiek geldend juridisch regime' van belang, dat bepaalt of werkzaamheden als overheid worden verricht.
De conclusie is dat de aanleg van de infrastructuur in beginsel een overheidstaak is, ook al wordt het personenvervoer als ondernemer uitgevoerd. De vraag of de aanlegkosten kunnen worden toegerekend aan de ondernemingsactiviteiten hangt af van de reikwijdte van het begrip 'personenvervoer' in bijlage D van de Zesde richtlijn. Omdat dit begrip waarschijnlijk niet de aanleg van infrastructuur omvat, bestaat er twijfel over het recht op aftrek.
De Procureur-Generaal adviseert daarom om het geding te schorsen en prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van het begrip 'personenvervoer' en de toerekening van infrastructuurkosten binnen de ondernemingssfeer van een gemeente.
Uitkomst: De aanleg van de Noord/Zuidlijn wordt aangemerkt als een overheidstaak, waardoor de gemeente geen recht heeft op aftrek van de omzetbelasting, tenzij het begrip personenvervoer ruim wordt uitgelegd.