ECLI:NL:PHR:2008:AZ6094
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid hoger beroep bij niet-naleving EG-Betekeningsverordening maar verschijning geïntimeerde
In deze zaak stond centraal de vraag welke rechtsgevolgen verbonden zijn aan het niet naleven van de voorschriften van de EG-Betekeningsverordening bij de betekening van een appeldagvaarding aan een geïntimeerde gevestigd in een andere lidstaat, terwijl deze geïntimeerde wel in hoger beroep verschijnt en inhoudelijk verweer voert.
De zaak betrof een geschil tussen Octopus, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, en Magnus, gevestigd in Nederland. Magnus was door het hof niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep vanwege het niet voldoen aan de betekeningseisen van de Betekeningsverordening en art. 56 Rv Pro. De Hoge Raad stelde vast dat de Betekeningsverordening enkel een sanctie verbindt aan niet-naleving indien de verweerder niet verschijnt, en dat bij verschijning de oproepingsfunctie is vervuld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had geoordeeld dat Magnus niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De vraag of de dagvaarding aan de formele en materiële vereisten voldoet, valt buiten het bereik van de verordening en dient naar nationaal recht te worden beoordeeld. Omdat Octopus in hoger beroep was verschenen en inhoudelijk verweer had gevoerd, was de oproepingsfunctie vervuld en mocht geen sanctie worden verbonden aan het niet naleven van de betekeningseisen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof, verklaarde Magnus ontvankelijk in haar hoger beroep en verwees de zaak terug naar het hof voor inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart Magnus ontvankelijk in haar hoger beroep ondanks niet-naleving van de Betekeningsverordening.