1 Volgens Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, betekent "profileren" (met betrekking tot een te graven grondwerk): afbakenen met palen en latten, het profiel ervan aangeven.
2 Hof 's-Gravenhage, 27 januari 2006, nr. 05/00125, niet gepubliceerd.
3 Inmiddels is de Zesde richtlijn ingetrokken en vervangen door de consoliderende Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 (hierna: de BTW-Richtlijn 2007), in werking treding 1 januari 2007.
4 Wet van 19 juni 1997, houdende wijziging van de wet van 19 juni 1997, Stb. 276, tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting (levering van bouwkavels en gebouwen), Stb.1997/277.
5 De levering van onroerende zaken was vrijgesteld van omzetbelasting, met uitzondering van de levering van een vervaardigd goed vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming van dat goed. Richtinggevend voor de invulling van het vervaardigingsbegrip is het arrest Van Dijk's Boekhuis (HvJ EG 14 mei 1985, nr. 139/84, BNB 1985/335).
6 Vgl. Kamerstukken II 1995/1996, 24 703, nr. 3 (MvT), blz. 2.
7 Stb. 276 (kamerstuk 23 683) en Stb. 1997/277 (kamerstuk 24 703).
8 HR 21 november 1990, nr. 26362, BNB 1991/19.
9 Kamerstukken II 1993/1994, 23 686, nr. 3 (MvT), blz. 1. Het Sint-Oedenrode-arrest ging om de vraag of de aanleg van infrastructurele voorzieningen in de omgeving van een onbebouwd stuk grond die grond tot "vervaardigd" bestempelde. U oordeelde van niet: onbebouwde maar tot bebouwing bestemde grond kon naar uw oordeel slechts "vervaardigd" zijn als zij bouwrijp gemaakt was. Onder bouwrijp maken diende, gelet op HR 12 maart 1980, nr. 19 239, BNB 1980/128, te worden verstaan: het bewerken van de grond zelf of het treffen van voorzieningen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond. Door deze uitleg ontstond een enger begrip 'vervaardigen' dan de wetgever voor ogen stond.
10 Kamerstukken II 1993/1994, 23 686, nr. 3 (MvT), blz. 2.
11 Kamerstukken II 1993/1994, 23 638, nr. 3 (MvT), blz. 9-11.
12 Noot PJW; vgl. ook HR (Eerste kamer) 21 maart 1997, nr. 16 208, BNB 1997/158.
13 HR 7 december 1994, nr. 29 153, BNB 1995/87.
14 Kamerstukken II 1995/96, 24 703, nr. 3 (MvT), blz. 1-2.
15 Kamerstukken II 1995/96, 24 703, nr. 3 (MvT), blz. 3-5.
16 Kamerstukken II 1996-1997, 24 703, nr. 7 (NnavV), blz. 6-8.
17 Kamerstukken I, 1996-1997, 24 703, nr. 212c (MvA), blz. 1.
18 Zie omtrent deze kwestie ook Hof Amsterdam 18 oktober 2004, nr. 03/1746, VN 2005/6.1.14 (cassatie ingesteld, bij u bekend onder nr. 41 510. In deze zaak was op de dag van overdracht aangevangen met de sloopwerkzaamheden. Het Hof oordeelde dat de sloopwerkzaamheden van zo ondergeschikte aard zijn geweest dat niet kan worden gesproken van vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak. Dat het de bedoeling was de gebouwen volledig te slopen en er een sloopvergunning aanwezig was, deed daar niet aan af. De onroerende zaak is naar 's Hofs oordeel evenmin een bouwterrein, omdat alleen onbebouwde grond als bouwterrein kan worden aangemerkt.
19 HR 10 augustus 2001, nr. 36 686, BNB 2001/401, met noot Van Zadelhoff, FED 2001/501 met noot Verstraate, NTFR 2001/1179 met noot Nieuwenhuizen en VN 2001/44.18, met aantekening redactie.
20 Zie D.B. Bijl, Onroerend goed, omzetbelasting en overdrachtsbelasting, zesde herziene druk, 1998, blz. 54: "Een bijzonder geval van bewerking is het slopen van een opstal. Wanneer een opstal volledig wordt gesloopt zal onbebouwde grond ontstaan. Van die grond moet worden beoordeeld of het bouwterrein is. Dat is het geval als de sloop plaatsvindt met het oog op de bebouwing van de grond", alsmede M.E. van Hilten, H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer, 2005, blz. 248.
21 In zijn annotatie bij HR 7 maart 2003, nr. 37 525, na conclusie Groeneveld, BNB 2003/193, merkt hij echter op: "In HR [BNB 2001/401] besliste de Hoge Raad dat enkel door sloopwerkzaamheden geen bouwterrein ontstaat (...)."
22 [Noot PJW]; In gelijke zin de redactie Vakstudie-Nieuws in de aantekening bij Hof 's-Hertogenbosch, 4 februari 2004, nr. 03/0254, VN 2004/33.24; in kennelijk andere zin echter diezelfde redactie in VN 2003/17.16: "Verder hebben de sloopwerkzaamheden geleid tot onbebouwde grond, zodat die activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden die hebben plaatsgevonden aan onbebouwde grond."
23 M.E. van Hilten, H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer, 2005, blz. 248 e.v.
24 Zie naast de hiervoor geciteerde schrijvers ook A.M.A. Koks, Ontstaat er door sloop een bouwterrein?, Vastgoed fiscaal & civiel, 2005/05.
25 Nr. 00/1748, zie BNB 2005/124, r.o. 4.1.
26 Nr. 03/0254, VN 2004/33.24.
27 In de literatuur treft men deze opvatting aan bij G.H. Rademaker, Fiscaal (on)vriendelijk slopen (het begrip 'bouwterrein' in de BTW), MBB 2003/54, G.H. Warning, J.S. Rijkels, Omzetbelasting en overdrachtsbelasting in de onroerendgoedsector (losbl.), suppl. 60 (april 2006), AII, 86e, en S.T.M. Beelen, K.M. Braun, O.L. Mobach, R.N.G. van der Paardt, Cursus Belastingrecht, Omzetbelasting, onderdeel 2.3.1.A.c4.: "Is er (...) sprake van een situatie, waarin er na de sloop (...) bewerkingen aan de grond zelf plaats hebben gevonden, maar deze handelingen niet zijn verricht met het oog op de bebouwing ervan (...) dan is er volgens (...) BNB 2001/401 (...), geen sprake van een bouwterrein (...)."
28 Nr. 01/2211, VN 2003/29.33.
29 Nr. 00/0268, VN 2003/17.16.
30 Nr. AWB 06/761, LJN AZ7024..
31 Het is mogelijk dat een aan de grond verrichte handeling zo onbeduidend is dat daardoor geen bouwterrein ontstaat; vgl. HR 23 april 1997, nr. 32 095, VN 1997, blz. 2127, inzake het storten van 11 m³ zand op een terrein van 4 ha.
32 Zie cassatieberoepschrift, blz. 4.
33 Zie o.m. verweerschrift, blz. 4 en de pleitnota van de Inspecteur, onder "Het werk van B".
34 Zie proces-verbaal van de zitting, d.d. 21 oktober 2005, blz. 3.