ECLI:NL:PHR:2008:BA3819
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid tuinbouwbedrijf als eigenbouwer voor loon- en omzetbelasting
Belanghebbende, eigenaar van een klein tuinbouwbedrijf zonder personeel, maakte gebruik van diensten van een vennootschap onder firma (C) die Poolse arbeidskrachten in de agrarische sector inzet. De Belastingdienst stelde vast dat deze arbeidskrachten feitelijk in dienstbetrekking stonden tot A, een van de vennoten, en legde naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting op aan A. Belanghebbende werd aansprakelijk gesteld voor een deel van deze aanslagen op grond van inleners- of ketenaansprakelijkheid.
Het hof oordeelde dat er geen deugdelijke aanknopingspunten waren voor inlening van arbeidskrachten bij belanghebbende en dat bij aanneming van werk belanghebbende als opdrachtgever moest worden gezien, waardoor geen aansprakelijkheid bestond. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad analyseerde het begrip inlening en aanneming van werk, waarbij inlening inhoudt dat werknemers onder toezicht of leiding van de inlener werken en aanneming van werk dat de werkzaamheden in opdracht van een aannemer worden verricht. De Hoge Raad concludeerde dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of belanghebbende als eigenbouwer kan worden aangemerkt, een status die gelijkgesteld wordt met aannemer en aansprakelijkheid meebrengt voor onderaannemers.
De Hoge Raad stelt dat belanghebbende als tuinbouwbedrijf werkzaamheden verricht die als werk van stoffelijke aard kwalificeren, die in de normale bedrijfsuitoefening vallen en buiten dienstbetrekking worden uitgevoerd. Daarom is belanghebbende eigenbouwer in de zin van artikel 35 Invorderingswet Pro 1990. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere beoordeling van de niet behandelde geschilpunten.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak terug voor beoordeling van aansprakelijkheid als eigenbouwer.