ECLI:NL:PHR:2008:BA8217
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen EG-verplichting tot belastingverdragsrechtelijke meestbegunstiging bij tax sparing credits
De zaak betreft een belanghebbende vennootschap die bezwaar maakte tegen de weigering van Nederland om tax sparing credits toe te kennen voor dividenden, interest en royalty's afkomstig uit landen anders dan Brazilië en Griekenland. De belanghebbende stelde dat het EG-Verdrag en Europa-overeenkomsten verplichten tot meestbegunstiging, waardoor dezelfde fiscale voordelen als in de verdragen met Brazilië en Griekenland ook aan andere landen zouden moeten worden toegekend.
Het gerechtshof oordeelde dat verschillen in behandeling voortvloeien uit bilaterale verdragen en dat het EG-Verdrag geen verplichting tot meestbegunstiging inhoudt. Het hof verwees naar jurisprudentie van het HvJ EG, waaronder de zaak D. v. Inspecteur, waarin werd bevestigd dat bilaterale verdragen een onderhandelingsresultaat zijn dat niet los kan worden gezien van het geheel. Ook de grondslageis en tweede verrekeningslimiet, die de verrekening van buitenlandse bronbelasting beperken, zijn volgens het hof niet in strijd met het vrije kapitaalverkeer.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en wijst het principale beroep af. Het incidentele beroep van de Minister, gericht op de kwalificatie van de inkomsten onder het vrije kapitaalverkeer of de vestigingsvrijheid, wordt eveneens ongegrond verklaard. De Hoge Raad benadrukt dat tax sparing credits integraal onderdeel zijn van bilaterale verdragen en niet los kunnen worden gekoppeld. Ook wordt onderstreept dat het niet verplicht is om meer buitenlandse bronbelasting te verrekenen dan de Nederlandse belasting die op het inkomen drukt, conform eerdere arresten zoals Gilly en Franked Investment Income.
Deze uitspraak bevestigt dat het EG-recht geen recht op meestbegunstiging biedt binnen het kader van bilaterale belastingverdragen en dat verschillen in behandeling op basis van verschillende verdragsafspraken niet onrechtmatig zijn. Tevens wordt de fiscale soevereiniteit van lidstaten bij de verdeling van heffingsbevoegdheden benadrukt.
Uitkomst: Het beroep van de belanghebbende wordt ongegrond verklaard; Nederland is niet verplicht tax sparing credits toe te kennen buiten de bilaterale verdragen met Brazilië en Griekenland.