ECLI:NL:PHR:2008:BA8497
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor hulp bij prostitutie minderjarige en wederrechtelijk verblijf
In deze zaak werd verzoekster door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens het faciliteren van prostitutie van een minderjarige en het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijf van vreemdelingen die vermoedelijk wederrechtelijk in Nederland verbleven. Verzoekster voerde onder meer aan dat zij niet op haar zwijgrecht was gewezen, dat zij geen voorwaardelijk opzet had en dat de betrokken vreemdelingen rechtmatig verbleven.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat verzoekster niet concreet was geschaad door het niet wijzen op het zwijgrecht. Ook werd het beroep op afwezigheid van alle schuld verworpen, omdat verzoekster onvoldoende had gedaan om de leeftijd van de minderjarige prostituee te verifiëren. De wet stelt dat de wetenschap omtrent de minderjarigheid niet vereist is, waardoor het hof de verontschuldigbare dwaling terecht verwierp.
Ten aanzien van het verblijf van de vreemdelingen stelde de Hoge Raad dat het hof terecht had geoordeeld dat zij niet rechtmatig verbleven, omdat zij arbeid verrichtten in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. De prostitutie werd als arbeid in loondienst beschouwd, waardoor de vreemdelingen niet rechtmatig verbleven. Het hof had ook terecht geoordeeld dat verzoekster en haar mededader de vrouwen instrueerden en een deel van de beloning ontvingen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de opgelegde straf: een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis bij niet-nakoming.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verzoekster tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens faciliteren van prostitutie van een minderjarige en hulp bij wederrechtelijk verblijf.