ECLI:NL:PHR:2008:BB0622
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing stakingswinst bij inbreng onderneming in vennootschap onder firma
In deze zaak staat centraal in welk jaar de stakingswinst moet worden verantwoord bij de inbreng van een onderneming in een vennootschap onder firma (vof). Belanghebbende bracht haar onderneming in een vof in die formeel werd opgericht in 1999, terwijl zij meende dat de stakingswinst al in 1998 moest worden verantwoord. Het Hof had geoordeeld dat het firmacontract pas in april 1999 was gesloten en dat de onderneming per 1 januari 1999 voor rekening en risico van belanghebbende werd gedreven, waardoor de stakingswinst in 1999 moest worden verantwoord.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de stakingswinst in 1998 moest worden verantwoord, verwijzend naar vaste jurisprudentie over goed koopmansgebruik. De Advocaat-Generaal betoogde dat dit alleen juist zou zijn als de overdracht in 1998 had plaatsgevonden, wat niet het geval was. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat de overdracht daadwerkelijk in 1999 plaatsvond en dat de stakingswinst daarom in dat jaar moet worden verantwoord.
De Hoge Raad benadrukte dat winstneming bij overdracht van een onderneming volgens goed koopmansgebruik plaatsvindt op het moment van daadwerkelijke overdracht. De enkele melding aan de Belastingdienst in 1998 van de voorgenomen oprichting van de vof doet hieraan niet af. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de stakingswinst in 1999 moet worden verantwoord.