ECLI:NL:PHR:2008:BB4108
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid politiebevel en weigering daaraan te voldoen
Verdachte maakte deel uit van een groep die een leegstaand schoolgebouw wilde kraken. De eigenaar sommeerde hen het terrein te verlaten, waarna een politie-inspecteur een vordering deed aan verdachte om het terrein te verlaten. Verdachte weigerde en werd daarop veroordeeld wegens het niet voldoen aan een vordering krachtens wettelijk voorschrift.
In cassatie werd aangevoerd dat het politiebevel niet rechtsgeldig was omdat het niet gebaseerd was op een wettelijk voorschrift en dat de politie slechts namens de eigenaar had gehandeld zonder eigen bevoegdheid. Ook werd betoogd dat het terrein niet feitelijk in gebruik was en daarom geen basis bood voor het bevel.
De Hoge Raad overwoog dat art. 2 Politiewet Pro 1993 een algemene taakomschrijving geeft die de politie bevoegdheid verleent tot handhaving van de rechtsorde, en dat art. 461 Sr Pro het betreden van andermans terrein zonder toestemming verbiedt. De vordering van de politie-inspecteur was gericht op het beëindigen van een overtreding van art. 461 Sr Pro en was daarmee rechtsgeldig. Het cassatieberoep faalt en het vonnis wordt bevestigd.
De strafmotivering dat verdachte het gezag van de politie wilde aantasten werd als begrijpelijk beoordeeld, en de opgelegde voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van één jaar werd passend geacht gezien de ernst en het principiële karakter van het verweer.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke geldboete wegens het niet voldoen aan een rechtsgeldig politiebevel.