ECLI:NL:PHR:2008:BB5927
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering bodemsaneerder tegen grondeigenaar voor meerkosten sanering en bewijsvermoeden nadere overeenkomst
De zaak betreft een geschil tussen een bodemsaneerder (LBS) en een grondeigenaar ([eiser]) over de betaling van facturen voor een bodemsanering waarbij de verontreiniging ernstiger bleek dan aanvankelijk ingeschat. Na een initiële overeenkomst en offerte voor sanering van circa 5.000 m3 grond tegen een vaste prijs, bleek de hoeveelheid dewax veel hoger, waardoor een aangepast saneringsplan met hogere kosten noodzakelijk was.
LBS stelde dat tussen partijen een nadere overeenkomst tot stand was gekomen waarin [eiser] instemde met een snellere saneringsmethode tegen meerkosten. Het hof achtte dit aannemelijk op basis van correspondentie en gespreksverslagen, en legde de bewijslast bij [eiser] om tegenbewijs te leveren, wat deze niet slaagde. De rechtbank had aanvankelijk geoordeeld dat de hogere verontreinigingslast voor rekening van LBS kwam, maar het hof oordeelde anders en wees de vorderingen van LBS grotendeels toe.
De Hoge Raad vernietigt het tussen- en eindarrest van het hof voor zover het de uitleg van de garantiebepaling in de offerte betreft. De betekenis van de garantie moet mede worden bepaald aan de hand van de verwachtingen van [eiser] over de hoeveelheid verontreiniging. Dit kan gevolgen hebben voor de toerekening van meerkosten. De overige klachten worden verworpen, waardoor de vordering van LBS tot betaling van openstaande facturen en een deel van de schadevergoeding voor gederfde winst wordt bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat tussen partijen een nadere overeenkomst is gesloten over een snellere saneringsmethode tegen meerkosten en wijst de vordering van LBS tot betaling van openstaande facturen toe.