1 Te vinden in rov. 1.1 t/m 1.10 van het vonnis van de eerste aanleg en rov. 2.1 t/m 2.14 van het in cassatie bestreden arrest.
2 Naar in de rede ligt: (mede) als gevolg van de vrij talrijke gevallen van rechtsopvolging waaruit de huidige rechtsbetrekking is voortgevloeid, hebben partijen ook getwist over de vraag welke partijen precies bij die rechtsverhouding betrokken waren. Vestia heeft dan ook aanvankelijk naast SJU een tweede stichting in de onderhavige zaak gemoeid. In cassatie speelt dit echter geen rol meer; ik zal verder alleen van SJU spreken, en de verwijzing naar andere partijen die eerder in de zaak betrokken waren niet meer herhalen.
3 Volledigheidshalve meld ik dat de rechtbank de opzegging van Vestia beoordeelde als op te korte termijn gedaan, en met toepassing van conversie besloot tot beëindiging op een wat langere termijn.
4 Het in cassatie bestreden arrest is van 12 mei 2006. De cassatiedagvaarding werd op 11 augustus 2006 uitgebracht.
5 Het hof motiveert het door mij in parafrase weergegeven oordeel in de rov. 6.1 - 8.5.
6 De klachten van onderdelen 1 a en 1 b verwijzen naar alinea's 28, 29 en 30 van de conclusie van antwoord. Daar leest men dat al kort na de totstandkoming van de beheersovereenkomst (in 1985) tussen de toenmalige partijen zou zijn afgesproken in de namens SJU verdedigde zin (de cursivering heb ik aangebracht). Aan het slot van alinea 28 wordt vervolgens verwezen naar een brief van 28 mei 1991 (bedoeld is vermoedelijk: 23 mei, de datum die op de hier vermelde productie staat - maar in de stukken heeft men het verder (meestal) op 28 mei gehouden). Deze brief is van ongeveer zes jaar ná de totstandkoming van de overeenkomst; en deze brief heeft het hof in rov. 7.3 onderzocht, en beoordeeld als onvoldoende ter ondersteuning van het standpunt van SJU).
Alinea's 29 en 30 van de conclusie van antwoord lijken ook te berusten op de gedachte dat (vooral) de brief van 23/28 mei 1991 de wijziging in de rechtsverhouding zou markeren.
Andere stellingen die voor de gestelde afspraak/wijziging nadere onderbouwing zouden kunnen opleveren, heb ik niet aangetroffen (die worden in het middel ook niet vermeld).
7 In de rov. 6.1 - 6.4 heeft het hof dat in detail onderzocht en beoordeeld.
8 Men ziet voorbeelden van deze figuur in HR 4 oktober 1991, NJ 1991, 804, rov. 3.1; Kantonrechter Rotterdam 9 maart 2006, WR 2006, 80 en Kantonrechter Amsterdam 14 mei 1997, WR 1997, 79 m.nt. Zuidema.
9 Niet elk gebruik van woonruimte is gebruik dat de regels van huur en verhuur in het spel brengt. Wie een huis door een aannemer laat "opknappen" geeft die aannemer ongetwijfeld het recht, op een bepaalde manier van de woning gebruik te maken; maar sluit evenzeer ongetwijfeld géén (quasi-)huurovereenkomst met die aannemer.
10 Asser-Van der Grinten-Kortmann 2 - I (De Vertegenwoordiging), 2004, nr. 102.