1 Zie het arrest van het hof Amsterdam van 16 maart 2006 onder 3 in verbinding met het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 19 januari 2005 onder 2a t/m 2l.
2 Prod. 4 bij de inleidende dagvaarding.
3 Schrijfwijze maatschapsovereenkomst.
4 Zie de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens houdende akte vermindering van eis.
5 De cassatiedagvaarding is op 16 juni 2006 uitgebracht.
6 Vaste rechtspraak, zie laatstelijk HR 9 juli 2004, NJ 2005, 256 (Woudsend/[...]).
7 Zie hierover o.m. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 52; R.P.J.L. Tjittes en W.D.H. Asser, Rechtsmiddelen, 2007, nr. 4.3; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2006, nr. 116.
8 Verwezen wordt naar de memorie van antwoord tevens houdende antwoordakte tot rectificatie, onder 19.
9 Zie daarover Burgerlijke Rechtsvordering, Mollema, art. 356, aant. 4; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 16 en 265 e.v.
10 Hoewel het hof in zijn dictum het vonnis van de rechtbank niet expliciet vernietigt, ligt zulks wel besloten in de overwegingen van het arrest, waarnaar het dictum verwijst.
11 Zie H.E. Ras, Het tussenvonnis in het burgerlijk procesrecht, diss. 1966, nr. 109 onder c slot, met verwijzing naar HR 2 januari 1942, NJ 1942, 294; H.W. Wiersma, Tussenoordelen en eindbeslissingen, diss. 1998, nr. 89.
12 Snijders/Wendels, a.w., nr. 266. Wel lijkt hem in een dergelijk geval voorzichtigheid geboden, omdat de vragen niet echt door de appelrechter worden behandeld. Of het hof in het onderhavige geval, waarin de rechtbank geen enkele eindbeslissing over de verdeling van de maatschap had genomen en waarin het hof de zaak niet mondeling heeft behandeld, de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen, laat ik in het midden.
13 Verwezen wordt naar de conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie, tevens houdende akte vermindering van eis, p. 5-7; memorie van antwoord, onderdeel 17-18.
14 Zie de cassatiedagvaarding, p. 7-8.
15 Het onderdeel is blijkens zijn bewoordingen tevens gericht tegen rechtsoverweging 4.5. Deze rechtsoverweging bevat echter uitsluitend een weergave van de standpunten van partijen, tegen welke weergave op zichzelf geen klachten zijn gericht.
16 In dit verband wordt gewezen op HR 2 maart 2001, NJ 2001, 583 m.nt. S.F.M. Wortmann ([...]/[...]) en HR 6 december 2002, NJ 2005, 125 m.nt. WMK ([...]/[...]).
17 Zie voor samenvattingen van de arresten van de HR waarin deze problematiek is ontwikkeld o.m. de conclusies van mijn ambtgenoten Langemeijer vóór HR 27 januari 2006, RvdW 2006, 134 en Verkade vóór HR 4 juni 2004, LJN AO 6900 (C03/035HR) en mijn conclusie vóór HR 2 september 2005, NJ 2006, 29.
18 Zie mijn conclusie vóór HR 27 april 2007, RvdW 2007, 468 (onder 2.31 t/m 2.35). Aan de in die conclusie genoemde vindplaatsen kan thans nog worden toegevoegd: L.C.A. Verstappen, Hoe ver reikt de beleggingsleer, WPNR 07/6708 en de reactie daarop van L.H.M. Zonnenberg met aansluitend een naschrift van Verstappen in WPNR 07/6724 en de reactie van Zonnenberg op bedoeld naschrift in WPNR 07/6727.
19 Wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekenbedingen), Stb. 152. Zie over dit wetsvoorstel onder meer: C.A. Kraan, De herziening van het huwelijksvermogensrecht, EB 2002, nr. 1, p. 7-13 en de reactie daarop van L.C.A. Verstappen in EB 2002, nr. 4, p. 54-60; M.J.A. van Mourik, Regels voor verrekenbedingen, WPNR 02/6499, p. 555-561; C.A. Kraan, De wettelijke regels voor verrekenbedingen, EB 2003, nr. 1, p. 8-10; L.C.A. Verstappen, De Wet regels verrekenbedingen in de praktijk, WPNR 04/6584, p. 521-532;
20 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 554, nr. 3, p. 20.
21 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 554, nr. 5, p. 13-14.
22 L.H.M. Zonnenberg, Eindelijk enige duidelijkheid over verrekenen, EB 2006, p. 75-79; Stagnerend inzicht regels verrekenbedingen, EB 2006, p. 39-45 (in welk artikel Zonnenberg het thans bestreden arrest bespreekt, p. 41 en 42); Voortschrijdend inzicht regels verrekenbedingen, EB 2005, p. 6-10.
23 O.m.: E.A.A. Luijten, Voortschrijdend inzicht regels verrekenbedingen, wishfull thinking?, EB 2005, p. 70-72; Klaassen-Eggens-Luijten-Meijer I, 2005, nrs. 651-656.
24 O.a. M.J.A. van Mourik, Huwelijksvermogensrecht, 2002, p. 192.
25 J.A.M.P. Keijser, Verrekenbeding en waardering van aandelen, EB 2002, p. 21-25.
26 Conclusie vóór HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 93 m.nt. WMK (onder 3.9-3.11).
27 Conclusie vóór HR 6 december 2002, NJ 2005, 125 m.nt. WMK (onder 2.10).
28 B. Breederveld, Het voorhuwelijks vermogen en het verrekenbeding, EB 2005, p. 65-69.
29 S.F.M. Wortmann in haar noot onder HR 2 maart 2001, NJ 2001, 584 (onder 2); L.C.A. Verstappen, De Wet regels verrekenbedingen in de praktijk, WPNR 04/6584, p. 521-532 (i.h.b. onder 4); dezelfde in EB 2006, p. 29-33 (onder 11); M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, 2006, p. 315-317.
30 Zie de conclusie van A-G Bakels vóór HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 93 m.nt. WMK (onder 3.9-3.11) en de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 6 december 2002, NJ 2005, 125 m.nt. WMK (onder 2.10).
31 Zie de cassatiedagvaarding, p. 10-12.
32 Op grond van de in het subonderdeel aangehaalde feiten.
33 Zie art. 422a Rv. en daarover B. Winters 2005, (T&C Rv), art. 422a Rv., aant. 5.