1 Ontleend aan de rov. 3.1 - 3.1.3 van een in de eerste aanleg op 22 juni 2001 gewezen tussenvonnis en rov. 4.2.1 - 4.2.5 van het tussenarrest in hoger beroep van 10 februari 2004.
2 Verwikkelingen in verband met deze transactie hebben geleid tot een aantal andere procedures. Een daarvan werd onlangs in cassatie beoordeeld, zie HR 23 februari 2007, NJ 2007, 433 m.nt. E.J. Dommering. Het ging daar echter om vragen die voor de onderhavige zaak niet van belang zijn. Over een kort geding betreffende een conservatoir beslag aan het begin van de onderhavige zaak, werd geoordeeld in HR 1 maart 2002, rechtspraak.nl LJN AD9591. Ook in dat geding speelden geen vragen die voor het huidige cassatiegeding nog van belang zijn.
3 In onderdeel 1.3 van Middel I wordt uitvoerig uit dit concept geciteerd.
4 Het eindarrest van het hof is van 7 februari 2006. De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 8 mei 2006. Dat was een maandag, zodat de termijn op die dag verstreek.
5 HR 15 juni 2007, NJ 2007, 335, rov. 3.5.3; HR 9 februari 2007, NJ 2007, 105, rov. 3.4.1; HR 1 december 2006, NJ 2007, 385, rov. 3.11.2.
6 HR 22 juni 2007, NJ 2007, 344, rov. 3.5 - 3.7; HR 5 december 2003, NJ 2004, 76, rov. 3.4.1; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nrs. 16 - 19 en nrs. 24 - 28; Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2003, nr. .
7 Zie bijvoorbeeld HR 19 januari 2007, RvdW 2007, 108, rov. 3.5.1 - 3.5.2; HR 15 december 2006, NJ 2007, 203 m.nt. MRM, rov. 3.3.
8 HR 7 september 2007, RvdW 2007, 747, rov. 3.9; HR 13 juli 2007, rechtspraak.nl LJN AZ1598, rov. 3.7.2; HR 13 juli 2007, rechtspraak.nl LJN BA3520, rov. 4.2; HR 29 juni 2007, NJ 2007, 355, rov. 3.5.2; HR 13 april 2007, NJ 2007, 219, rov. 3.3.3; HR 27 maart 2007, NJ 2007, 333, rov. 4.3.
9 De benaming van dit stuk als "conclusie" kan een niet geheel juiste indruk wekken: het stuk bevat geen inhoudelijke stellingen, maar beperkt zich tot de verklaring dat de hierna te bespreken brieven en bijlagen in het geding worden gebracht.
10 Ik heb de indruk dat dit dezelfde brief is die aan de in NJ 2007, 433 beoordeelde zaak ten grondslag heeft gelegen.
11 Zie bijvoorbeeld HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342, rov. 3.3.4. Ik verwijs ook naar HR 31 januari 2003, NJ 2004, 48 m.nt. DA en naar de alinea's 9 - 19 van de conclusie voor die beslissing. Volledigheidshalve wijs ik er op dat in de annotatie een ruimere verplichting van de rechter tot het in aanmerking nemen van de daar besproken gegevens wordt bepleit, dan in de conclusie voor de beslissing wordt verdedigd. Men is geneigd te denken dat de positie die de rechter hier moet kiezen sterk van de omstandigheden afhangt; waarbij de omvang, de duidelijkheid, de toegankelijkheid en de relevantie van de desbetreffende gegevens in elk geval gewicht in de schaal zullen leggen. Maar voorzover ik kan beoordelen, meent ook de annotator dat gegevens waar de wederpartij zich niet adequaat op heeft hoeven of kunnen prepareren, in elk geval niet zonder meer in de beoordeling mogen worden betrokken.
In dezelfde zin (dan ook) de rechtspraak over de ambtshalve aanvulling van partijstellingen: daarin heeft de Hoge Raad zich gekeerd tegen het "verzamelen" van gegevens uit in het dossier aanwezige bronnen, zo lang niet een partij een stelling naar voren heeft gebracht die duidelijk maakt dat die gegevens relevant zijn, en dat die in de beoordeling mee (kunnen) wegen; zie bijvoorbeeld HR 12 januari 2007, RvdW 2007, 88, rov. 3.4; HR 29 september 2006, RvdW 2006, 900, rov. 3.4.3; HR 31 maart 2006, NJ 2006, 233, rov. 3.3.
12 O.a. T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Morée - Beenders, 2005, art. 157, aant. 2 sub b.
13 HR 3 april 1998, NJ 1998, 571, rov. 3.2 - 3.4; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Numann, art. 239, aant. 3.
14 Door de onbegrensde mogelijkheden van digitale informatievoorziening is het vaak lastig om vast te stellen hoe iets "vroeger" was. Ik baseer mijn bevinding op het feit dat het huidige Liquidatietarief (o.a. te raadplegen via de "website" "rechtspraak.nl") voor het door het hof gehanteerde Tarief II een bedrag van € 452,- vermeldt, terwijl het hof bij toepassing van Tarief II een bedrag van € 390,- heeft berekend.