ECLI:NL:PHR:2008:BB8989
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bewaarbevel geldbedragen na niet-ontvankelijkverklaring strafzaak
In deze zaak betrof het klaagschrift van een verdachte tegen het voornemen van de officier van justitie om met inbeslaggenomen geldbedragen te handelen alsof deze verbeurd verklaard waren. De rechtbank verklaarde het klaagschrift deels gegrond en deels ongegrond, waarbij het grootste bedrag van circa €119.605,12 niet aan de verdachte werd teruggegeven omdat hij niet als rechthebbende werd aangemerkt.
De strafzaak tegen de verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring en overschrijding van de redelijke termijn. Desondanks werd het geldbedrag bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De Hoge Raad oordeelde dat de officier van justitie op grond van artikel 116 Sv Pro bevoegd is om het beslag te bewaren, ook na een niet-ontvankelijkverklaring, en dat de rechtbank terecht het klaagschrift deels ongegrond heeft verklaard.
De Hoge Raad wees erop dat de rechter bij een beklag tegen een beslissing van de officier van justitie vrij is in zijn waardering van het bewijs en dat verklaringen van de verdachte in het opsporingsonderzoek als feitelijke grondslag kunnen dienen. Het beroep van de verdachte werd verworpen omdat hij geen belang had bij de bestreden beschikking en de middelen geen doel troffen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bevestigd.