1 Zie onder meer de beschikking van de rechtbank Haarlem van 7 maart 2006 onder 2 en de bestreden beschikking van het hof Amsterdam, eveneens onder 2.
2 In het door hem ingestelde incidentele appel heeft de man niet expliciet om wijziging van de beschikking van 11 november 2004 verzocht, maar uit de bestreden beschikking volgt dat het hof daarin een dergelijk verzoek wel heeft gelezen. Zie het door de man ingediende verweerschrift tevens incidenteel appel tevens wijziging van eis, alsmede rov. 3.3 van de bestreden beschikking.
3 Het cassatierekest dateert van 14 mei 2007 en is op die datum ook ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
4 Zie onder meer HR 12 mei 2006, NJ 2006, 293, rov. 3.3.3; HR 10 oktober 2003, NJ 2005, 104, m.nt. DA, rov. 3.6; HR 7 december 2001, NJ 2003, 76, m.nt. DA, rov. 3.5; HR 5 november 1999, NJ 2000, 65, rov. 3.3.2; HR 28 februari 1992, NJ 1992, 409, rov. 3.2.
5 Zie over de (van de ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij afhankelijke) toelating van nieuwe grieven HR 11 november 1983, NJ 1984, 298. Een partij die inhoudelijk is ingegaan op een voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep aangevoerde grief zonder bezwaar te maken tegen het tijdstip waarop deze is opgeworpen, wordt echter geacht ondubbelzinnig erin toe te stemmen dat de grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken; als zij daarom niet heeft gevraagd, behoeft de appelrechter haar in dat geval ook geen gelegenheid te geven haar reactie op de nieuwe grief later aan te vullen; zie HR 15 oktober 1999, NJ 2000, 21, m.nt. PAS.
Zie over eerst bij pleidooi gestelde feiten die de rechter ter zijde kan laten op de grond dat de tegenpartij daarop niet meer voldoende heeft kunnen reageren of dat zij een nader onderzoek nodig zouden maken waarvoor het geding geen gelegenheid meer biedt, HR 6 april 1979, NJ 1980, 34, m.nt. CJHB, in het bijzonder rov. 7. De rechter behoeft niet te motiveren waarom hij van deze mogelijkheid (van ter zijde laten van die feiten) geen gebruik maakt; zie HR 14 januari 1983, NJ 1983, 457, m.nt. PAS, in het bijzonder rov. 3.5. In dat verband komt ook betekenis toe aan de vraag of (uit de gedingstukken blijkt dat) de wederpartij tegen het aanvoeren van de bedoelde feiten bezwaar heeft gemaakt; HR 14 april 2000, NJ 2000, 489, m.nt. DWFV, in het bijzonder rov. 3.3.4. Als de rechter het beroep op nieuwe feiten toelaat, zal hij wel moeten vermelden of en hoe de wederpartij daarop heeft gereageerd; zie HR 6 oktober 2000, NJ 2001, 167, in het bijzonder rov. 3.4.2.
6 Vgl. voor het vergelijkbare regime dat geldt in verband met ter zitting of kort voor de zitting overgelegde stukken HR 29 juni 1990, NJ 1990, 732, en (vooral) HR 29 november 2002, NJ 2004, 172, m.nt. HJS), in het bijzonder rov. 3.5.1 en 3.5.2. Als het gaat om stukken waarvan aard en omvang klaarblijkelijk geen beletsel vormen om daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, mag de rechter, zeker als tegen overlegging van die stukken geen bezwaar is gemaakt, zonder meer aannemen dat aan de eis van een voldoende gelegenheid voor kennisneming en uitlating is voldaan (rov. 3.5.1); gaat het om stukken waarvan reeds de aard en omvang, gelet op het tijdstip waarop zij zijn overgelegd, het vermoeden wettigen dat tijd en gelegenheid voor een behoorlijke kennisneming en een deugdelijke voorbereiding van verweer ertegen hebben ontbroken, dan moet de rechter - ook ambtshalve - erop letten dat aan de bedoelde eis is voldaan en een daarmee in overeenstemming zijnde beslissing geven, waarvan - met het oog op de controle door de hogere rechter - uit het vonnis of arrest of uit het proces-verbaal van de zitting zal moeten blijken (rov. 3.5.2).
7 Ook de hoogte van de door het hof vastgestelde uitkering tot levensonderhoud laat in dit verband geen conclusies toe. Weliswaar is het door het hof vastgestelde (en tot 1 januari 2009 geldende) "startbedrag" van € 2.500,- lager dan het door de rechtbank vastgestelde (en van 1 juli 2005 tot 1 juli 2006 geldende) "startbedrag" van € 3.000,-, maar, nog daargelaten dat het hof de door de rechtbank vastgestelde afbouwregeling (in het bijzonder door een langere duur daarvan) ten detrimente van de man aanmerkelijk heeft verzwaard, kan uit de bestreden beschikking niet worden opgemaakt of en in hoeverre die verlaging met een geringere draagkracht van de man, dan wel met de aan het slot van rov. 4.3 als uitgangspunt gekozen, geleidelijke stijging van het inkomen van de vrouw samenhangt.
8 Dat, zoals het middel stelt, de man ter zitting wél zou hebben opgemerkt dat het gewoon niet waar was dat hij - naast zijn salaris - nog inkomsten zou genieten als door de vrouw gesteld, kan, naar ook het middel terecht onderkent, in cassatie bij gebreke van enige vermelding in het proces-verbaal en de beschikking niet worden aangenomen; vgl. H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel (2003), nr. 186, en de daarin genoemde rechtspraak, alsmede, meer recent, HR 17 februari 2006, NJ 2006, 156, rov. 3.3.1-3.3.2.
9 Vgl. HR 6 oktober 2000, NJ 2001, 167, rov. 3.4.2, hiervoor reeds genoemd in voetnoot 5, slot.
10 HR 7 december 2001, NJ 2003, 76, m.nt. DA, rov. 3.5 ("(...) Voor zover het Hof deze eisen in aanmerking heeft genomen, maar zou hebben geoordeeld dat die in dit geval niet meebrachten dat de vrouw deze gelegenheid moest worden geboden, behoefde dat oordeel motivering.").
11 Vgl. HR 2 februari 1996, NJ 1996, 569, rov. 3.2 (slot).
12 Over die frequentie heeft de vrouw overigens niets gesteld.