AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling nietigheid betekening dagvaarding en oproeping bij schorsing onderzoek
In deze zaak stond centraal of de nietigheid van de betekening van de dagvaarding en oproeping voor eerdere terechtzittingen moest worden aangenomen. De verdachte was gedagvaard voor meerdere zittingen, waarvan de dagvaarding voor de zitting van 11 oktober 2002 niet correct was betekend aan het juiste adres. Ook de oproeping voor de zitting van 2 december 2002 was niet op juiste wijze betekend.
De verdediging voerde aan dat deze gebrekkige betekening tot nietigverklaring moest leiden. Het hof verwierp dit verweer omdat de raadsman van de verdachte op de latere zittingen aanwezig was en zich niet op nietigheid had beroepen. De Hoge Raad bevestigt dat indien het onderzoek is geschorst en de verdachte of zijn raadsman op de nadere terechtzitting aanwezig is zonder tijdig nietigheid te betwisten, dit betekent dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
De Hoge Raad benadrukt dat het niet aanstonds, dus niet op de eerstvolgende terechtzitting, voeren van een nietigheidverweer verenigbaar moet zijn met een behoorlijke en doelmatige rechtspleging. De aanwezigheid van een gemachtigde raadsman dekt niet automatisch een gebrekkige betekening. De Hoge Raad concludeert dat het hof het verweer terecht heeft verworpen en het cassatieberoep moet worden afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling blijft gehandhaafd.
Conclusie
Griffienr. 02938/06
Mr Wortel
Zitting:13 november 2007 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker, voor zover de zaak aan het oordeel van het Hof was onderworpen, wegens (1) "Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", (2) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod", (3) "poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod", alsmede (5) "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, aanhef en onder a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met bijkomende beslissingen, met name ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Namens verzoeker heeft mr B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, een schriftuur houdende één cassatiemiddel ingediend.
In een samenhangende zaak met griffienummer 02940/06 heb ik ter zitting van 9 oktober jongstleden geconcludeerd.
3. Het middel komt op tegen de verwerping van een verweer betreffende de betekening van de inleidende dagvaarding en een daarop volgende oproeping.
4. Dat verweer is in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:
"de betekening van de dagvaarding voor de zitting van 11 oktober 2002
Op de terechtzitting van 7 december 2004 is namens de verdachte betoogd dat de inleidende dagvaarding voor de terechtzitting van 11 oktober 2002 niet op de juiste wijze betekend is en daarom nietig zou zijn. Dit verweer is bij tussenbeslissing van 16 december 2004 door het hof verworpen. Op de terechtzitting van 11 oktober 2005 is het verweer herhaald, onder aanvulling van de daartoe aangevoerde gronden.
Het hof blijft bij zijn op 16 december 2004 gegeven oordeel, dat de rechtbank, toen de verdachte op de terechtzitting van 11 oktober 2002 niet verscheen, een onderzoek had moeten instellen naar de geldigheid van de uitgebrachte dagvaarding (zie Hoge Raad der Nederlanden 11 februari 2003, NJ 2003, 390 m.nt. Sch). Omdat van een dergelijk onderzoek niet blijkt, moet er van uit worden gegaan dat het niet heeft plaatsgevonden. Het hof, doende wat de rechtbank had behoren te doen, heeft nogmaals het volgende vastgesteld.
De verdachte is aanvankelijk gedagvaard voor de terechtzitting van 24 september 2002. Daar is namens hem de nietigheid van de dagvaarding ingeroepen; het openbaar ministerie had er, zo werd gesteld, mee bekend moeten zijn dat hij - ingevolge een hem bij de schorsing van zijn voorlopige hechtenis d.d. 14 mei 1998 opgelegde bijzondere voorwaarde - feitelijk verbleef aan het adres [a-straat 1] te [plaats], zodat de dagvaarding daar had moeten worden betekend. De rechtbank verwierp dit verweer, naar het hof begrijpt omdat zij van oordeel was dat het openbaar ministerie uit de omstandigheid, dat de verdachte aan de Gemeentelijke Basisadministratie had gemeld op 19 september 2000 naar Tsjechië te zijn vertrokken, mocht afleiden dat hij niet meer in [plaats] verbleef. Vervolgens verklaarde de rechtbank het openbaar ministerie, om thans niet meer ter zake doende redenen, niet ontvankelijk in de vervolging.
Aldus is ter terechtzitting van 24 september 2002 namens de verdachte als diens feitelijke verblijfplaats opgegeven het adres [a-straat 1] te [plaats]. Toen een nieuwe dagvaarding tegen hem werd uitgebracht voor de terechtzitting van 11 oktober 2002 had zij daarom (in elk geval: mede) aan dat adres moeten worden betekend (zie Hoge Raad der Nederlanden 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Sch). Het openbaar ministerie heeft dat ook geprobeerd, doch is er niet in geslaagd dit geheel overeenkomstig de wettelijke voorschriften te doen. De dagvaarding voor de terechtzitting van 11 oktober 2002 is derhalve niet op de juiste wijze betekend.
Uit de omstandigheid dat de op die terechtzitting verschenen en tot de verdediging bij afwezigheid gevolmachtigde raadsman van de verdachte zich niet op nietigheid van de dagvaarding beriep, heeft het hof op 16 december 2004 - bij gebreke van enige contra-indicatie als bedoeld in Hoge Raad der Nederlanden 26 oktober 2004, 00074/04 - afgeleid dat de verdachte er welbewust van afzag om zelf ter terechtzitting te verschijnen. Ook in het door de huidige raadsman namens de verdachte betoogde - in essentie opnieuw neerkomend op de stelling dat de verdachte van de zittingsdatum niet op de hoogte was - ziet het hof geen contra-indicatie als voormeld. Naar de strekking en de deugdelijkheid van de door de verdachte aan zijn toenmalige raadsman verleende machtiging heeft de rechtbank terecht geen onderzoek ingesteld. Het hof blijft daarom bij zijn oordeel dat nietigverklaring van de dagvaarding achterwege kon blijven. De huidige raadsman stelt weliswaar opnieuw dat van de verdediging in redelijkheid niet mocht worden verwacht dat zij nogmaals de nietigheid van de dagvaarding zou inroepen, omdat de rechtbank dit verweer op 24 september 2002 reeds had verworpen, doch het hof blijft van mening dat deze stelling geen hout snijdt, alleen al omdat de gronden waarop het openbaar ministerie de dagvaarding voor de zitting van 11 oktober 2002 had moeten uitbrengen aan het adres [a-straat 1] te [plaats] - naar hierboven werd uiteengezet - andere waren dan die, waarop - naar de opvatting van de raadsman - had moeten worden aangenomen dat reeds de dagvaarding voor de zitting van 24 september 2002 aan dat adres had moeten worden uitgebracht.
de betekening van de oproeping voor de zitting van 2 december 2002
Namens de verdachte is aangevoerd dat de oproeping voor de terechtzitting van 2 december 2002 eveneens nietig was. Het hof overweegt daaromtrent het volgende. Het onderzoek ter terechtzitting van 21 oktober 2002 is destijds voor bepaalde tijd geschorst, en wel tot de terechtzitting van 2 december 2002, met last om de verdachte voor laatstgenoemde terechtzitting opnieuw op te roepen. Deze oproeping had - om de hiervóór reeds uiteengezette redenen - in ieder geval mede moeten worden uitgebracht aan het adres [a-straat 1] te [plaats]. Dit is niet gebeurd. De oproeping is daarom niet op de juiste wijze betekend.
De vraag is thans welke consequentie daaraan had dienen te worden verbonden. Het hof stelt in verband daarmee vast dat ter terechtzitting van 2 december 2002 dezelfde raadsman namens de verdachte is verschenen als ter terechtzitting van 11 oktober 2002, en dat deze zich (opnieuw) niet op de nietigheid van de oproeping voor die zitting heeft beroepen. De rechtbank heeft daarom mogen aannemen dat de verdachte er welbewust van bleef afzien om zelf ter terechtzitting te verschijnen. Nietigverklaring van de betreffende oproeping kon daarom achterwege blijven. Daaraan doet niet af dat de raadsman toen en daar uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven zich niet langer gevolmachtigd te achten om bij afwezigheid van zijn cliënt diens verdediging te voeren. Die omstandigheid stond immers aan een beroep op nietigheid van de oproeping niet in de weg.
Het hof merkt ten overvloede op dat de raadsman van de verdachte, die ter terechtzitting van 21 oktober 2002 was verschenen, daar moet hebben vernomen dat het onderzoek ter terechtzitting van 2 december 2002 zou worden voortgezet. Hij is dan ook op die nadere zitting verschenen.
Dat de verdachte er welbewust van heeft afgezien om op 11 oktober 2002 ter terechtzitting te verschijnen, impliceert dat hij er van op de hoogte moet zijn geweest dat het strafproces tegen hem een aanvang had genomen. Het had daarom, naar het oordeel van het Hof, op zijn weg gelegen om ook zijnerzijds - bij zijn raadsman, bij de officier van justitie of ter griffie - te informeren wanneer dit proces voortgang zou vinden. Dat hij dit - kennelijk welbewust - heeft nagelaten, terwijl zijn raadsman terdege van de zittingsdatum op de hoogte blijkt te zijn geweest, vormt naar het oordeel van het hof een reden te meer waarom hij zich - zeker na zo lange tijd - niet (meer) op de nietigheid van zijn oproeping voor de zitting van 2 december 2002 kan beroepen.
Derhalve wordt het namens de verdachte gedane beroep op nietigheid verworpen."
5. De tussenbeslissing van 16 december 2004, waarnaar in de zojuist aangehaalde overwegingen is verwezen, is te vinden in het proces-verbaal van de op die datum gehouden terechtzitting, en nagenoeg gelijkluidend aan de overwegingen in de einduitspraak.
6. In de toelichting op het middel wordt uit HR NJ 2003, 390 afgeleid dat het Hof in de aanwezigheid van een tot het voeren van de verdediging uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting van 11 oktober 2002 geen grond had mogen vinden voor zijn oordeel dat verzoeker er welbewust vanaf heeft gezien op die terechtzitting te verschijnen.
7. In HR NJ 2003, 390 is uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat art. 279 SvPro, zoals de bepaling sedert 1 februari 1998 luidt, er in de eerste plaats toe strekt te bevorderen dat verstekzaken kunnen worden afgedaan op een wijze die verenigbaar is met art. 6 EVRMPro. In verband daarmee heeft de Hoge Raad vastgesteld dat deze bepaling geen aanknopingspunt biedt voor de opvatting dat het verschijnen van een tot verdediging van de afwezige verdachte nadrukkelijk gemachtigde raadsman meebrengt dat de geldige betekening van de dagvaarding of oproeping niet meer onderzocht behoeft te worden. Onjuist is derhalve de opvatting dat het ter terechtzitting verschijnen van die nadrukkelijk gemachtigde raadsman de nietigheid van de dagvaarding wegens een betekeningsgebrek dekt.
8. Opmerking verdient evenwel dat in deze, als HR NJ 2003, 390 gepubliceerde, zaak het verweer was gevoerd dat de (appèl)dagvaarding wegens een betekeningsgebrek nietig moest worden verklaard, waarbij de tot verdediging gemachtigde raadsman mededeelde dat zijn cliënt vermoedelijk niet van de terechtzitting op de hoogte was, en dat het hem, raadsman, evenmin gelukt was contact met zijn cliënt te krijgen.
In zoverre is er een verschil met de nu te beoordelen zaak, waarin het Hof heeft vastgesteld dat de gemachtigde raadsman op de bewuste zittingen van de Rechtbank geen verweer heeft gevoerd met betrekking tot de geldige betekening van de dagvaarding, respectievelijk nadere oproeping.
9. Voorts moet worden bedacht dat een gebrekkige betekening van de dagvaarding of nadere oproeping niet onder alle omstandigheden tot nietigverklaring van het stuk dient te voeren: naar luid van art. 278 SvPro is die uitspraak niet aangewezen indien de verdachte is verschenen, en de Hoge Raad heeft bepaald dat de nietigverklaring van de dagvaarding of oproeping eveneens achterwege moet blijven "indien ter terechtzitting de raadsman van de aldaar niet aanwezige verdachte is verschenen en deze niet heeft geklaagd over een betekeningsverzuim. Uit het achterwege blijven van zo een klacht moet worden afgeleid dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht", vgl. HR NJ 2002, 317, r.o. 3.26.
10. 's Hofs oordeel dat laatstbedoelde situatie zich in deze zaak bij de behandeling in eerste aanleg heeft voorgedaan, zowel ter terechtzitting van 11 oktober 2002 als ter terechtzitting van 2 december 2002, wordt in cassatie niet bestreden.
De verwerping van het in dit middel bedoelde verweer getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk te noemen.
11. Nu het middel faalt concludeer ik tot verwerping van het beroep.
Naar mijn oordeel leent het enige middel, en daarmee ook het beroep, zich voor afdoening met de in art. 81 ROPro bedoelde korte motivering.