ECLI:NL:PHR:2008:BC0838

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03244/06
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 70 Wet personenvervoer 2000
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving oproeping raadsman in hoger beroep

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte bij verstek is veroordeeld wegens overtreding van de Wet personenvervoer 2000. De advocaat van verdachte had zich tijdig als raadsman gemeld, maar er is geen bewijs dat een afschrift van de appeldagvaarding aan hem is verzonden. Noch verdachte, noch zijn raadsman zijn verschenen bij de terechtzitting. Het hof heeft verstek verleend zonder te onderzoeken of aan het voorschrift van art. 51 Sv Pro was voldaan.

De Hoge Raad oordeelt dat het niet naleven van dit oproepingsvoorschrift leidt tot nietigheid van de zitting en dat het arrest van het hof daarom niet in stand kan blijven. Het hof had moeten verifiëren of de raadsman was opgeroepen of dat verdachte geen prijs stelde op zijn aanwezigheid. Deze motivering ontbreekt in het arrest.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij de juiste procedurele waarborgen in acht moeten worden genomen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van het oproepingsvoorschrift aan de raadsman en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Nr. 03244/06
Mr. Bleichrodt
Zitting 13 november 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's Gravenhage heeft bij arrest van 10 mei 2006 de verdachte bij verstek ter zake van "niet naleving van het bepaalde bij art. 70, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000, tienmaal gepleegd" veroordeeld tot tien geldboetes van elk € 100,-, subsidiair twee dagen hechtenis.
2. De verdachte heeft zelf beroep in cassatie ingesteld. Mr. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt dat aan de raadsman, die zich voor de behandeling bij het Hof als zodanig had gesteld, ten onrechte geen oproeping voor de terechtzitting van het Hof is toegezonden.
3.2 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:
(i) een kopie van een faxbericht van 6 december 2005 van mr. M.R. Mantz, gericht aan de strafgriffie van het Hof, waarbij deze zich voor de behandeling in hoger beroep stelt als raadsman van de verdachte;
(ii) een brief van dezelfde datum van de Griffier bij het Hof aan mr. Mantz, waarin de ontvangst van het onder (i) genoemde bericht wordt bevestigd.
Kopieën van deze stukken zijn ook gehecht aan de cassatieschriftuur.
3.3 De appeldagvaarding houdt niet in dat een afschrift daarvan aan de raadsman is verzonden. Ook overigens bevat het dossier niets waaruit kan volgen dat een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman is verzonden.
3.4 Ter terechtzitting van het Hof van 10 mei 2006 is noch de verdachte noch zijn raadsman verschenen. Het Hof heeft tegen de niet-verschenen verdachte verstek verleend.
3.5 Niet blijkt dat het Hof, nu de verdachte en zijn raadsman niet ter terechtzitting waren verschenen, heeft onderzocht of een afschrift van de appeldagvaarding aan mr. Mantz is verzonden. Gelet op wat hiervoor onder 3.2 en 3.3 is vermeld is 's Hofs in de uitspraak besloten liggende oordeel dat aan het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv is voldaan, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Dat brengt mee dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt en de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.(1)
3.6 Het middel is terecht voorgesteld.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR NJ 1999, 276. Overigens zou ook cassatie moeten volgen indien de onder 3.2 bedoelde stukken zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken zouden bevinden, doch uitsluitend in kopie aan de cassatieschriftuur zouden zijn gehecht (zoals hier ook is gebeurd): vgl. HR NJ 1998, 772, HR 21 november 2000, nr. 01344/99 en HR 9 januari 2001, nr. 02161.