ECLI:NL:PHR:2008:BC1238
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring bij onrechtmatige daad waterschap inzake verzakkingsschade fundering woonboerderij
De zaak betreft een geschil tussen een eigenaar van een woonboerderij en het waterschap over verzakkingsschade aan de fundering veroorzaakt door waterpeilveranderingen na een ruilverkaveling in de periode 1968-1975.
De rechtsvoorganger van de eigenaar had al in 1972 schriftelijk gewaarschuwd voor mogelijke schade door het gewijzigde waterpeil. In 1993 werd het waterpeil verder verlaagd, waarna in 1998 schade werd geconstateerd en het waterschap aansprakelijk werd gesteld. De rechtbank wees de vorderingen af wegens verjaring, een oordeel dat het hof bevestigde.
De Hoge Raad overweegt dat de verjaring op grond van de Wet van 1924 pas begint te lopen bij het moment van opvorderbare schade. De schade werd niet als verborgen aangemerkt omdat de eigenaar en zijn rechtsvoorganger vanaf het begin op de hoogte waren van de schadelijke gevolgen van het waterpeilbeheer. De uitzondering op de verjaring wegens verborgen schade, zoals bij bodemverontreiniging, is hier niet van toepassing.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het beroep op verjaring terecht is aangenomen. Tevens wordt gewezen op het belang van stelplicht en bewijslast bij het verweer van verjaring. De zaak illustreert de nauwe toepassing van de uitzondering op verjaring bij verborgen schade en benadrukt de rechtszekerheid in dergelijke gevallen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering is verjaard omdat de schade niet als verborgen kan worden aangemerkt en de verjaringstermijn reeds was voltooid.