ECLI:NL:PHR:2008:BC1249
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over totstandkoming huurovereenkomst en bewijswaardering bij onderhandelingen
In deze zaak stond centraal of tussen partijen een definitieve huurovereenkomst tot stand was gekomen of dat slechts onderhandelingen hadden plaatsgevonden waarbij terugtreden zonder schadeloosstelling mogelijk was. De kantonrechter en het hof stelden vast dat het bewijs dat een bindende overeenkomst was gesloten, niet was geleverd. Dit leidde tot afwijzing van de vorderingen van eiser.
De Hoge Raad benadrukte dat het ontstaan van een overeenkomst niet alleen afhangt van overeenstemming over essentiële punten, maar vooral van de intentie van partijen zich te verbinden. Zelfs als partijen het over alle punten eens zijn, kan er nog geen bindende overeenkomst zijn als een partij een voorbehoud heeft gemaakt. Omgekeerd kan er wel een bindende overeenkomst zijn ondanks dat niet over alle punten overeenstemming is bereikt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het bewijs zorgvuldig en begrijpelijk had gewogen, waarbij ook indrukken over de persoonlijkheid van partijen en de geloofwaardigheid van getuigen werden betrokken. De klacht dat het hof onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd of onvoldoende had gemotiveerd, werd verworpen. De conclusie was dat de vorderingen terecht waren afgewezen en dat er geen vragen waren die beantwoording behoefden voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; er is geen bindende huurovereenkomst gesloten.