ECLI:NL:PHR:2008:BC1486
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing overgangsrecht op subrogatie en voorrang bij borgtocht uit 1982
In deze zaak staat centraal of de voorrangsregel van artikel 1439 van Pro het oude Burgerlijk Wetboek (BW), die borg stelt dat de borg die een schuld gedeeltelijk heeft betaald pas kan verhalen nadat de schuldeiser volledig is voldaan, ook na de invoering van het nieuwe BW van toepassing blijft op borgtochten die vóór 1 januari 1992 zijn aangegaan.
De zaak betreft een borgtocht uit 1982 waarbij de Provincie Utrecht zich borg stelde voor een lening van de Stichting Medisch Centrum Berg en Bosch bij de Postcheque- en Girodienst, later overgegaan in ING. Na faillissement van de Stichting en uitwinning van zekerheden door ING, betaalde de Provincie het borgstellingsbedrag in 1993. De vraag was of de Provincie als borg subrogatie in de zekerheidsrechten van ING had op gelijke voet met ING, of dat ING voorrang hield op grond van art. 1439 oud Pro BW.
Het hof had geoordeeld dat de nieuwe bepalingen van het BW van toepassing waren omdat de betaling na 1992 plaatsvond, waardoor art. 1439 oud Pro BW niet meer gold. De Hoge Raad vernietigt dit arrest en stelt dat art. 1439 oud Pro BW, gelet op de overgangsregeling in art. 220 Overgangswet Pro, ook na 1992 blijft gelden voor borgtochten die vóór 1992 zijn aangegaan, ongeacht het moment van betaling.
De Hoge Raad benadrukt dat deze voorrangsregel een wezenlijk onderdeel was van de kredietafweging bij het aangaan van de borgtocht en dat het nieuwe recht deze niet zonder meer mag wijzigen. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling, waaronder de beoordeling van de subsidiaire vordering van de Provincie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en oordeelt dat art. 1439 oud BW blijft gelden voor borgtochten van vóór 1992 ongeacht betalingstijdstip.