ECLI:NL:PHR:2008:BC1860
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ontkenning vaderschap en DNA-onderzoek bij staande huwelijk geboren kind
In deze zaak heeft de wettelijke vader een verzoek ingediend tot ontkenning van zijn vaderschap van een tijdens het huwelijk geboren kind. De moeder erkende aanvankelijk dat de man niet de biologische vader was, maar weigerde vervolgens medewerking aan een door het hof gelast DNA-onderzoek. De rechtbank wees het verzoek af wegens onvoldoende onderbouwing van de ontkenning. Het hof gelastte DNA-onderzoek in het belang van het kind, maar bekrachtigde uiteindelijk de afwijzing omdat de man niet voldoende concrete feiten had gesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechter ambtshalve DNA-onderzoek kan gelasten wanneer het belang van het kind dat vereist, ook als een partij zich tegen het onderzoek verzet. De man moet zijn ontkenning echter onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden. Een loutere ontkenning, zelfs met het aanbod tot DNA-onderzoek, is onvoldoende. De erkenning van de moeder dat de man niet de biologische vader is, kan niet zonder meer worden aangenomen als bewijs, zeker niet bij tegenstrijdige verklaringen.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof over de weigering van medewerking aan het DNA-onderzoek en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging tussen het recht op lichamelijke integriteit van de moeder en het belang van het kind op duidelijkheid over het vaderschap.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof over de weigering tot medewerking aan DNA-onderzoek en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof.