ECLI:NL:PHR:2008:BC2159
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende bestendigheid van herstel alcoholverslaving
De schuldenaar verzocht toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar de rechtbank wees dit af op grond van art. 288 lid 1 onder Pro b Faillissementswet vanwege gegronde vrees dat hij zijn verplichtingen niet zou nakomen. Dit oordeel was gebaseerd op een langdurige alcoholverslaving en het feit dat de behandeling nog niet tot een stabiele situatie had geleid.
Het hof bekrachtigde deze beslissing en overwoog dat ondanks een succesvolle afronding van de behandeling bij de Jellinekkliniek, onvoldoende inzicht was gegeven in de aard en het resultaat van die behandeling. De korte duur van het herstel was onvoldoende om de vrees weg te nemen dat de schuldenaar niet aan zijn verplichtingen zou voldoen.
In cassatie werd betoogd dat het hof onjuist had geoordeeld, onder meer omdat de schuldenaar bewijsstukken had overgelegd en dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met de inspanningen van de schuldenaar. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld en dat de beoordeling van de bestendigheid van het herstel een waardering van feiten betreft die in cassatie beperkt is.
De Hoge Raad benadrukte dat de toelating tot de schuldsaneringsregeling vereist dat de schuldenaar zijn verplichtingen naar behoren zal nakomen en dat een gegronde vrees voor tekortkoming alleen kan worden aangenomen als die tekortkoming hem kan worden toegerekend. De beslissing van het hof lag in lijn met de aanbevelingen van de ReCoFa-richtlijn, die stelt dat verslaving onder controle moet zijn om toelating te rechtvaardigen.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling definitief werd bevestigd.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende bestendigheid van herstel van alcoholverslaving.