ECLI:NL:PHR:2008:BC2203
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden
De zaak betreft het verzoek van een alleenstaande gescheiden man om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De schuldenlast bedroeg ruim €90.000, waaronder schulden aan voormalige werkgever, financiële instellingen en het CJIB. De rechtbank wees het verzoek af omdat de schuldenaar niet te goeder trouw was bij het ontstaan van een substantieel deel van zijn schulden, met name de schuld aan zijn voormalige werkgever en verkeersovertredingen waarvoor boetes waren opgelegd.
In hoger beroep werd dit oordeel bevestigd. Het hof stelde vast dat de schuldenaar verwijtbaar op staande voet was ontslagen wegens fraude en dat daardoor ook een studieschuld opeisbaar werd. Daarnaast was sprake van aanmerkelijke overbesteding, onder meer door het leven boven zijn financiële draagkracht en het maken van onbetaalde kosten voor een huwelijksfeest. De toelating van de ex-echtgenote tot de schuldsaneringsregeling deed hieraan niet af.
De Hoge Raad behandelde de cassatiemiddelen gericht tegen het oordeel over de verwijtbaarheid van de studieschuld, de betaling van boetes en de beoordeling van de overbesteding. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat klachten over feitelijke omstandigheden in cassatie niet aan de orde zijn. Ook het argument dat de schulden mede uit de boedelscheiding voortvloeiden en dat de ex-echtgenote wel was toegelaten, faalde omdat ieder verzoek individueel wordt beoordeeld.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel dat de schuldenaar niet te goeder trouw was en dat onvoldoende bijzondere omstandigheden waren gesteld die toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen wegens het niet te goeder trouw zijn bij het ontstaan van een substantieel deel van de schulden.