ECLI:NL:PHR:2008:BC2252
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling vaderschap bij reeds in Duitsland erkend minderjarig kind
Deze zaak betreft een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een minderjarig kind dat in Duitsland reeds door de man is erkend. De moeder diende het verzoek in bij de rechtbank Amsterdam, die zich onbevoegd verklaarde en verwees naar de rechtbank 's-Gravenhage. De rechtbank wees het verzoek af omdat de erkenning naar Duits recht voor Nederlandse erkenning vatbaar is en gerechtelijke vaststelling niet mogelijk is bij reeds erkende kinderen volgens Duits recht.
De moeder ging in hoger beroep bij het hof te 's-Gravenhage, dat de beslissing van de rechtbank bekrachtigde. De bijzonder curator trad op namens het kind en kwam in cassatie tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en de motivering voldeed aan de wettelijke eisen.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap heeft afgewezen, mede omdat het hof gebonden was aan het oordeel van de rechtbank dat de Duitse erkenning in Nederland erkend wordt. Tevens werd overwogen dat het belang van het kind bij verkrijging van de Nederlandse nationaliteit niet tot een andere uitkomst leidt. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap werd afgewezen omdat het kind reeds in Duitsland erkend is en deze erkenning in Nederland wordt erkend.