ECLI:NL:PHR:2008:BC2319
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij soortgelijke feiten na veroordeling
In deze zaak staat de vraag centraal of het ontnemen van voordeel dat is verkregen uit soortgelijke feiten als waarvoor de betrokkene is veroordeeld, in strijd is met het recht op onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6 lid 2 EVRM Pro. De betrokkene was veroordeeld voor meerdere drugshandelgerelateerde feiten en het hof had ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd voor zeven feiten, waarvan enkele al in een eerder arrest waren veroordeeld.
De betrokkene voerde aan dat de ontneming onrechtmatig was omdat niet met wettige bewijsmiddelen buiten redelijke twijfel was vastgesteld dat hij de soortgelijke feiten had begaan. Hij beroept zich hierbij op het arrest Geerings tegen Nederland van het EHRM, waarin werd geoordeeld dat ontneming van voordeel uit vrijgesproken feiten de onschuldpresumptie schendt.
De Hoge Raad overweegt dat de ontnemingsprocedure een sequeel is van de strafprocedure en dat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad zich te verdedigen, onder meer door aan te voeren dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat hij de soortgelijke feiten heeft begaan. Anders dan in Geerings is de betrokkene niet vrijgesproken van de feiten waarvoor het voordeel wordt ontnomen. Bovendien is het voordeel vastgesteld op basis van concrete bewijsmiddelen en niet op een loutere vermoeden van schuld.
De Hoge Raad concludeert dat er geen schending is van de onschuldpresumptie en dat het middel faalt. Ook wordt opgemerkt dat vernietiging van het strafarrest niet automatisch leidt tot vernietiging van het ontnemingsarrest. De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke feiten zonder schending van de onschuldpresumptie.