ECLI:NL:PHR:2008:BC2338

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03221/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 587 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken stellige klacht over rechtsregel

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens bezit van een vervalst reisdocument tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met twee jaar proeftijd. Tegen dit vonnis heeft verdachte via zijn advocaat een cassatiemiddel ingediend, stellende dat artikel 587 Sv Pro en artikel 6 lid 1 EVRM Pro zijn geschonden. Het betoog richt zich op de vermeende ontoereikendheid van de betekening van dagvaardingen volgens het Wetboek van Strafvordering in relatie tot de eisen van het EVRM.

De Hoge Raad stelt echter dat voor onderzoek in cassatie alleen middelen in aanmerking komen die een stellige en duidelijke klacht over de schending van een rechtsregel of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift bevatten. De ingediende schriftuur voldoet niet aan deze eis en wordt daarom onbesproken gelaten. Tevens wordt opgemerkt dat de aangehaalde Regeling van 3 juni 2004 geen uitreiking door een rechter voorziet, wat het betoog verder ondermijnt.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld vanwege procedurele tekortkomingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een stellige en duidelijke klacht over een rechtsregel.

Conclusie

Nr. 03221/06
Mr. Vellinga
Zitting: 27 november 2007
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met twee jaren proeftijd.
2. Namens verdachte heeft mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. In de schriftuur wordt aangevoerd dat art. 587 Sv Pro en 6 lid 1 EVRM zijn geschonden. De onderbouwing behelst een betoog dat er in de kern op neerkomt dat de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling met betrekking tot het betekenen van dagvaardingen niet aan de eisen van art. 6 EVRM Pro voldoet.
4. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv Pro. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. (HR 19 november 2002, LJN AE1171). De hiervoor omschreven inhoud van de schriftuur voldoet niet aan deze eis. Derhalve heeft de verdachte niet door zijn raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, hetgeen gelet op het bepaalde in art. 437 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijkheid ten gevolge heeft.
5. Overigens wordt in het in de schriftuur verwoorde betoog over het hoofd gezien dat de Regeling van 3 juni 2004, nr. 5287706/504, Stcrt 2004, nr 123, p. 13 niet voorziet in uitreiking door een rechter, daar een rechter niet wordt genoemd in het in de Regeling genoemde art. 14 lid 2 Wet Pro RO.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG