ECLI:NL:PHR:2008:BC2338
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken stellige klacht over rechtsregel
Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens bezit van een vervalst reisdocument tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met twee jaar proeftijd. Tegen dit vonnis heeft verdachte via zijn advocaat een cassatiemiddel ingediend, stellende dat artikel 587 Sv Pro en artikel 6 lid 1 EVRM Pro zijn geschonden. Het betoog richt zich op de vermeende ontoereikendheid van de betekening van dagvaardingen volgens het Wetboek van Strafvordering in relatie tot de eisen van het EVRM.
De Hoge Raad stelt echter dat voor onderzoek in cassatie alleen middelen in aanmerking komen die een stellige en duidelijke klacht over de schending van een rechtsregel of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift bevatten. De ingediende schriftuur voldoet niet aan deze eis en wordt daarom onbesproken gelaten. Tevens wordt opgemerkt dat de aangehaalde Regeling van 3 juni 2004 geen uitreiking door een rechter voorziet, wat het betoog verder ondermijnt.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld vanwege procedurele tekortkomingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een stellige en duidelijke klacht over een rechtsregel.