ECLI:NL:PHR:2008:BC2579
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag loonbelasting wegens gelijktijdige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting
Belanghebbende, een betaaldvoetbalorganisatie, kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over 1997 wegens vermeende loonbetalingen aan spelers D en E. Kort daarna werden navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd aan D en E over hetzelfde loon, zonder verrekening van de nageheven loonbelasting. Het hof oordeelde dat deze aanslagen het resultaat waren van een gecoördineerde actie en dat de naheffingsaanslag vernietigd moest worden.
De Hoge Raad onderzoekt de verhouding tussen loonbelasting en inkomstenbelasting, waarbij loonbelasting als voorheffing op de inkomstenbelasting fungeert. Uit eerdere jurisprudentie volgt dat een naheffingsaanslag in de loonbelasting in stand blijft indien navorderingsaanslagen inkomstenbelasting later worden opgelegd, tenzij sprake is van gelijktijdige oplegging met volledige onderlinge afstemming tussen belastingdienst-eenheden.
De Hoge Raad stelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat sprake was van gelijktijdige oplegging en volledige onderlinge afstemming. Uit getuigenverklaringen blijkt dat de navorderingsaanslagen later zijn opgelegd en dat voorafgaand overleg ontbrak. De enkele instructie van de loonbelastinginspecteur aan de inkomstenbelastinginspecteurs is onvoldoende voor gelijktijdige oplegging.
Daarom moet de naheffingsaanslag in stand blijven. Het arrest BNB 1994/106, dat gelijktijdige oplegging vereist, is hier niet van toepassing. Het eindheffingsregime in de loonbelasting doet hieraan niet af. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug omdat de naheffingsaanslag loonbelasting in stand moet blijven.