ECLI:NL:PHR:2008:BC2657
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij vordering tot schadeloosstelling expeditie na verloren lading volgens art. 8:63 BW en Fenex-arbitragebeding
In deze zaak vordert GMS Chemie Handels GmbH namens zichzelf en mede-eisers vergoeding van ladingschade van de expediteur [verweerster], na verlies van lading tijdens vervoer. De expediteur beroept zich op een arbitragebeding in de Fenex-voorwaarden en stelt dat de rechter onbevoegd is.
De rechtbank en het hof verklaren zich onbevoegd, omdat partijen de Fenex-voorwaarden met arbitragebeding zijn overeengekomen en dit ook geldt voor geschillen over expeditie, ongeacht of de expediteur als vervoerder zou hebben opgetreden. GMS betwist dit en stelt dat art. 8:63 lid 3 BW Pro een niet-contractuele vordering betreft waarop het arbitragebeding niet van toepassing is.
De Hoge Raad oordeelt dat het geschil over de schadeloosstelling op grond van art. 8:63 lid 3 BW Pro een geschil is over de uitvoering van een verplichting uit de expeditie-overeenkomst en niet over vervoer. De expediteur blijft expediteur en is aansprakelijk als zodanig. Het arbitragebeding is daarom van toepassing en de rechter is onbevoegd. Ook de stelling dat het arbitragebeding moet voldoen aan art. 33 CMR Pro faalt, omdat de CMR niet van toepassing is op deze expeditiegeschillen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het arbitragebeding van de Fenex-voorwaarden van toepassing is en verklaart de rechter onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot schadeloosstelling op grond van art. 8:63 lid 3 BW.