ECLI:NL:PHR:2008:BC2731
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toewijzing gezamenlijk gezag na echtscheiding ondanks eenhoofdig gezag
In deze zaak is na echtscheiding het eenhoofdig gezag aan de vrouw toegekend. De man verzocht eenzijdig om wijziging naar gezamenlijk gezag op grond van art. 1:253o lid 1 BW. De rechtbank wees dit af, maar het hof stelde het verzoek alsnog toe, waarbij het toetsingscriterium van art. 1:253o lid 1 BW niet werd toegepast. De vrouw stelde in cassatie dat dit onjuist was.
De Hoge Raad overweegt dat het verzoek tot wijziging van gezag, ook indien het eenhoofdig gezag betreft dat gewijzigd wordt in gezamenlijk gezag, uitsluitend kan worden toegewezen op de wettelijke gronden van gewijzigde omstandigheden of onjuiste/onvolledige gegevens bij de eerdere beslissing. Het belang van het kind blijft het leidende criterium.
Het hof had geoordeeld dat het toetsingscriterium van art. 1:253o lid 1 BW niet van toepassing was en dat de vraag moest zijn of het kind klem of verloren zou raken bij gezamenlijk gezag. De Hoge Raad acht dit een onjuiste rechtsopvatting, maar oordeelt dat vernietiging van de beschikking niet tot een ander resultaat leidt omdat het hof de wijziging op andere gronden toewijst.
De zaak benadrukt dat de rechter bij gezagswijziging het belang van het kind moet toetsen en dat het verzoek tot gezamenlijk gezag ook eenzijdig kan worden ingediend, mede gelet op het EVRM. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw en bevestigt de toewijzing van het gezamenlijk gezag.
Uitkomst: Het verzoek van de man tot wijziging van eenhoofdig naar gezamenlijk gezag wordt toegewezen.