ECLI:NL:PHR:2008:BC2733
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontheffing van ouderlijk gezag wegens ongeschiktheid en belang van continuïteit voor kinderen
De zaak betreft een verzoek tot ontheffing van het ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen, waarbij de ouders ongeschikt of onmachtig werden geacht hun opvoedingsplicht te vervullen. De kinderen waren langdurig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De rechtbank en het hof wezen het verzoek van de ouders tot vernietiging van de ontheffing af.
De Hoge Raad bevestigt dat ontheffing kan worden uitgesproken als de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ontoereikend zijn om ernstige bedreiging van de belangen of gezondheid van het kind te voorkomen, en die bedreiging het gevolg is van ouderlijke onmacht of ongeschiktheid. De instemming van de ouders met de uithuisplaatsing sluit ontheffing niet uit als die instemming niet voldoende garantie biedt voor continuïteit.
Het hof motiveerde dat het belang van de kinderen bij continuïteit en ongestoorde ontwikkeling zwaarder weegt dan het belang van de ouders, mede gelet op de langdurige uithuisplaatsing en het ontbreken van perspectief op terugkeer. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde de rechtmatigheid en motivering van het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontheffing van het ouderlijk gezag over de drie kinderen.