ECLI:NL:PHR:2008:BC2771
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in geschil over verdeling huwelijksgemeenschap
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de verdeling van hun huwelijksgemeenschap na ontbinding van het huwelijk. De vrouw vordert een afwijking van de gelijke verdeling van de gemeenschap, terwijl de man een verdeling bij helfte voorstaat. Na diverse procedures bij de rechtbank en het hof, waarbij het hof het tussenvonnis van de rechtbank grotendeels bekrachtigde en de zaak terugverwees, stelde de vrouw cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De kern van het geschil in cassatie betrof de ontvankelijkheid van het beroep, omdat het arrest van het hof een tussentijds arrest betrof. De Hoge Raad oordeelde dat het arrest van het hof geen einde maakte aan het geding omtrent enig deel van de vorderingen en dat er geen sprake was van een deelarrest. Het dictum van het hof, waarin werd gesteld "Wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is", werd uitgelegd als een formulering zonder motiverende betekenis en niet als een afwijzing van de vorderingen.
Daarom kon het cassatieberoep niet ontvankelijk worden verklaard, omdat geen verlof was verleend voor tussentijds cassatieberoep tegen een tussenarrest. De vrouw kan haar klachten nog aan de Hoge Raad voorleggen bij het eindarrest. Dit arrest bevestigt het belang van strikte toepassing van procesrechtelijke regels omtrent tussentijdse cassatieberoepen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van verlof voor tussentijds cassatieberoep.