ECLI:NL:PHR:2008:BC2801
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid voor onbetaalde koopsom na liquidatie handelsfonds
In deze zaak draait het om de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van Carpet Trade Center B.V.B.A. (CTC) voor het niet betalen van de koopsom van het handelsfonds 'Rêve d'Orient', dat in 1988 werd verkocht aan CTC. De Belgische rechter had CTC veroordeeld tot betaling van een restantkoopsom van BF 73.145.492 plus verwijlinteresten, maar CTC was geliquideerd en kon niet betalen. De eiser, voormalig bestuurder van CTC, werd door de koper (IDAT) aansprakelijk gesteld wegens onrechtmatig handelen.
De Hoge Raad verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem voor nader onderzoek naar de stelling dat de bestuurder persoonlijk de liquidatie heeft bewerkstelligd tegen ongerechtvaardigde afbraakprijzen en middelen aan CTC heeft onttrokken, waardoor CTC niet kon betalen. Het hof oordeelde dat IDAT dit voorshands had bewezen en dat de bestuurder geen tegenbewijs had geleverd. Tevens werd geoordeeld dat de tapijten tegen te lage prijzen waren verkocht en dat de onttrekkingen ten minste gelijk waren aan het onbetaalde bedrag.
De bestuurder stelde cassatieberoep in tegen deze oordelen, maar de Hoge Raad verwierp alle klachten. Het hof had de bewijslast en motivering zorgvuldig gewogen, waarbij getuigenverklaringen en financiële cijfers werden betrokken. Ook de vordering tot betaling van Belgische verwijlinteresten werd afgewezen omdat partijen Nederlands recht hadden gekozen. De Hoge Raad bevestigde hiermee de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder voor de schade die voortvloeit uit het onrechtmatig handelen bij de liquidatie van de vennootschap.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder voor het onbetaalde deel van de koopsom wegens onrechtmatig handelen bij liquidatie.