ECLI:NL:PHR:2008:BC2904
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bevoegdheid tot geven van verwijderingsbevel op spoorwegstation en toepassing art. 184 Sr
Deze zaak betreft de vraag of een verwijderingsbevel op een spoorwegstation, gegeven door ambtenaren van de Spoorwegpolitie krachtens art. 7 van Pro het Algemeen Reglement Vervoer (ARV), kan worden aangemerkt als een bevel krachtens wettelijk voorschrift in de zin van art. 184 Sr Pro. Verdachte werd veroordeeld wegens het niet opvolgen van een dergelijk bevel. De verdediging betoogde dat het bevel niet op een wettelijk voorschrift was gebaseerd, omdat verdachte als reiziger viel onder de Wet Personenvervoer 2000 (WPV 2000) en niet onder het ARV.
De Hoge Raad herhaalt eerdere jurisprudentie en stelt vast dat art. 7 ARV Pro is gericht op personen die zich anders dan als reiziger op een station bevinden. Er ontbreekt een wettelijke grondslag die expliciet bevoegdheid verleent aan ambtenaren om een dergelijk bevel te geven. Door de privatisering van het spoorvervoer is onduidelijk geworden welke instantie 'de spoorweg' vormt en wie bevoegd is aanwijzingen te geven. Hierdoor kan het niet opvolgen van een op art. 7 ARV Pro gebaseerd bevel niet worden vervolgd onder art. 184 Sr Pro.
De Hoge Raad overweegt dat als verdachte als reiziger op het station verbleef, de aanwijzingen op grond van de WPV 2000 van toepassing zijn, maar dat in deze zaak het hof de juistheid van die stelling in het midden heeft gelaten. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde. De zaak toont een lacune in de wetgeving door de privatisering van het spoorwegbeheer en roept op tot wetgevende duidelijkheid.
Uitkomst: De Hoge Raad spreekt verdachte vrij omdat het verwijderingsbevel niet krachtens wettelijk voorschrift was gegeven.