ECLI:NL:PHR:2008:BC2922
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende strafmotivering en onduidelijke tenlastelegging in APV-zaken
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 2.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Amsterdam. Het hof legde een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op.
De Hoge Raad oordeelt dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijke precisie bevat, omdat het begrip 'zich ophouden' niet concreet is omschreven. Dit maakt onduidelijk wat het verwijt aan verdachte precies inhoudt, terwijl het begrip in de APV in de betekenis van 'vertoeven' of 'verblijven' wordt gebruikt.
Daarnaast is de strafmotivering onvoldoende. Het hof verwees in het mondeling arrest slechts summier naar 'al het vorenstaande' zonder concreet aan te geven welke bijzondere redenen de strafoplegging bepaalden. Dit voldoet niet aan de wettelijke eisen voor strafmotivering.
De Hoge Raad concludeert dat beide middelen van cassatie gegrond zijn en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting in hoger beroep, waarbij een duidelijke tenlastelegging en een deugdelijke strafmotivering vereist zijn.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende strafmotivering en onduidelijke tenlastelegging; de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.