ECLI:NL:PHR:2008:BC3485
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel ondanks klacht over bewijs en overschrijding redelijke termijn
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem een ontnemingsmaatregel opgelegd aan verzoeker ter grootte van €38.000, gebaseerd op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel. Verzoeker stelde cassatie in tegen deze maatregel met klachten over de motivering van de bewijsvoering en de overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelt dat hoewel het hof in zijn overwegingen verwijst naar een Excel-overzicht en een proces-verbaal die niet expliciet als bewijsmiddel zijn opgenomen, dit geen reden tot vernietiging vormt omdat verzoeker daar geen redelijk belang bij heeft. De bewijsvoering kan worden verbeterd door aan te nemen dat het hof zich baseerde op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar waarin de omzet van drugs werd berekend.
Verder wordt de klacht dat het hof ook andere feiten heeft betrokken bij de schatting van het voordeel verworpen, aangezien deze feiten betrekking hebben op de verkoop van hash in de horeca-gelegenheden van verzoeker en zijn mededader over een langere periode.
Ten slotte stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden door de late indiening van de stukken bij de Hoge Raad, maar dit leidt niet tot vernietiging van de ontnemingsmaatregel. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel van €38.000 ondanks overschrijding van de redelijke termijn.