ECLI:NL:PHR:2008:BC3485

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00328/07 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 3, eerste lid onder B (OUD) Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel ondanks klacht over bewijs en overschrijding redelijke termijn

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem een ontnemingsmaatregel opgelegd aan verzoeker ter grootte van €38.000, gebaseerd op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel. Verzoeker stelde cassatie in tegen deze maatregel met klachten over de motivering van de bewijsvoering en de overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad oordeelt dat hoewel het hof in zijn overwegingen verwijst naar een Excel-overzicht en een proces-verbaal die niet expliciet als bewijsmiddel zijn opgenomen, dit geen reden tot vernietiging vormt omdat verzoeker daar geen redelijk belang bij heeft. De bewijsvoering kan worden verbeterd door aan te nemen dat het hof zich baseerde op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar waarin de omzet van drugs werd berekend.

Verder wordt de klacht dat het hof ook andere feiten heeft betrokken bij de schatting van het voordeel verworpen, aangezien deze feiten betrekking hebben op de verkoop van hash in de horeca-gelegenheden van verzoeker en zijn mededader over een langere periode.

Ten slotte stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden door de late indiening van de stukken bij de Hoge Raad, maar dit leidt niet tot vernietiging van de ontnemingsmaatregel. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel van €38.000 ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Griffienr. 00328/07 P
Mr Wortel
Zitting: 11 december 2007
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting is opgelegd aan de Staat € 38.000 te betalen.
2. Namens verzoeker heeft mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
Bij arrest van eerdere datum heeft het Hof verzoeker in de onderliggende strafzaak tot straf veroordeeld. Ook tegen dat arrest is cassatie ingesteld. Inzake dat cassatieberoep, bij de Hoge Raad bekend onder griffienummer 00321/07, concludeer ik heden eveneens.
In samenhangende zaken met griffienummers 00327/07 en 00323/07 P (mededader) concludeer ik heden eveneens.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de schatting van het voordeel niet naar de wettelijke eis met redenen is omkleed, aangezien in een bewijsoverweging is verwezen naar een 'Excel-overzicht' en een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar, terwijl noch dat 'Excel-overzicht' noch dat proces-verbaal als bewijsmiddel is opgenomen.
4. Strikt genomen is de klacht wel terecht opgeworpen, lijkt me, maar vernietiging op deze grond kan achterwege blijven omdat verzoeker daar geen redelijk belang bij heeft. Een nieuwe behandeling na ver- of terugwijzing zou immers tot precies dezelfde uitkomst kunnen leiden, maar ditmaal met een nauwkeuriger aanduiding van de tot bewijs gebruikte inhoud van de stukken waarnaar het Hof verwijst.
5. De bewuste bewijsoverweging kan aldus verbeterd worden gelezen dat het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van het in wettige vorm opgemaakte en op 16 juli 2002 afgesloten proces-verbaal van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], nummer PL 0646/01-203399, voor zover inhoudende dat de verbalisant aan de hand van een bij dit proces-verbaal gevoegd 'Excel-overzicht' heeft berekend dat de totale omzet van drugs over de onderzochte periode Hfl 422.881,20 heeft belopen, terwijl de verkoop van hash in de periode 2 september 2000 tot en met 6 juni 2001 Hfl 404.845 heeft opgeleverd.
6. Door deze verbeterde lezing komt de grondslag aan de klacht te ontvallen, zodat zij faalt.
7. Het tweede middel behelst de klacht dat bij de schatting van het voordeel in aanmerking is genomen dat het ook uit "andere feiten" is voortgevloeid, maar de bewijsmiddelen niet uitwijzen waaruit die "andere feiten" hebben bestaan.
8. Terecht wordt in de toelichting op het middel opgemerkt dat het Hof met deze "andere feiten" moet hebben gedoeld op de feiten die zijn begaan in een langere periode (2 september 2000 tot en met 6 juni 2001) dan waarop de bewezenverklaring betrekking heeft (1 januari 2001 tot en met 7 juni 2001), maar daar volgt gelijk uit dat het middel faalt. Het Hof kan immers op niets anders het oog hebben gehad dan de verkoop van hash in de door verzoeker en zijn mededader gedreven horeca-gelegenheden. Dat levert dus het bij herhaling opzettelijk handelen in strijd met het in art. 3, eerste lid onder B (OUD) Ow gestelde verbod op, en uit de bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat het om deze "andere feiten" gaat.
9. Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden.
10. In aanmerking genomen dat het cassatieberoep is ingesteld op 19 augustus 2005, terwijl de stukken van het geding op 5 februari 2007, derhalve achttien en een halve maand later, bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de klacht terecht voorgesteld.
Dit hoeft evenwel niet tot vernietiging en vermindering van de opgelegde betalingsverplichting te voeren.
In het nu ook dienende cassatieberoep tegen het in de strafzaak gewezen arrest wordt eveneens, en terecht, geklaagd over overschrijding van de redelijke berechtingsduur in verband met (veel) te late inzending van de gedingstukken. Aannemende dat naar aanleiding daarvan de in de onderliggende strafzaak opgelegde straf wordt gematigd, kan in dit beroep tegen de ontnemingsuitspraak worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.
11. De eerste twee middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
12. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal vaststellen dat de in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep is overschreden, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,