ECLI:NL:PHR:2008:BC3766

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00642/07
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 348 SvArt. 349.1 SvArt. 5 SrArt. 6, eerste lid, EVRMArt. 225 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over ontvankelijkheid OM en redelijke termijn bij flessentrekkerijzaak met grensoverschrijdend element

In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie centraal, mede vanwege het grensoverschrijdende karakter van de tenlastegelegde feiten die ook in België strafbaar waren gesteld. Het Hof had de verdachte veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en flessentrekkerij, waarbij het Hof oordeelde dat aan de dubbele strafbaarheidsvoorwaarde van art. 5 Sr Pro was voldaan.

De verdediging klaagde onder meer dat het Hof niet voldoende had onderzocht of het OM ontvankelijk was voor het Belgische feit en dat de redelijke termijn was overschreden. De Hoge Raad stelt dat de rechter ambtshalve onderzoek moet doen naar ontvankelijkheid, maar niet altijd in de uitspraak hoeft te motiveren tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het Hof had terecht geoordeeld dat het feit ook naar Belgisch recht strafbaar was.

Daarnaast constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de behandeling van de zaak, met name in eerste aanleg en bij de aanlevering van stukken aan de Hoge Raad. Dit leidde tot een strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor zover het de straf betreft en wijst het beroep voor het overige af.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de strafoplegging wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar het OM wordt ontvankelijk verklaard voor de vervolging.

Conclusie

Griffienr. 00642/07
Mr Wortel
Zitting:11 december 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens (feit 1)
"medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst" (feit 2 primair) "een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven althans feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" (feit 2 subsidiair) "een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren" (feit 3) "als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon baten niet verantwoorden en goederen aan de boedel onttrekken" en ((feit 4 subsidiair) "een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verzoeker hebben mrs G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel keert zich tegen de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie in deze vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
4. Dat verweer is in de bestreden uitspraak als volgt verworpen:
"A2
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 24 mei 2000, zijnde het tijdstip waarop verdachte werd aangehouden voor verhoor.
Het hof stelt vast dat de eerste rechter eerst 54 maanden later, te weten op 13 oktober 2004, vonnis heeft gewezen.
Het hof overweegt dat de op redelijkheid te beoordelen termijn aldus in eerste aanleg met ruim dertig maanden is overschreden en dat verdachte's recht op een behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden. Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele opstelling van de verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld. Het hof merkt in dit verband op dat de vertraging mede te wijten is geweest aan een getuigenverhoor op verzoek van de verdediging in het buitenland, doch anderzijds deze vertraging te wijten is geweest aan lange perioden van inactiviteit van de justitiële autoriteiten.
A3
Naar het oordeel van het hof kan het onder A2 geconstateerde verzuim in casu er evenwel niet toe leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard, nu het maatschappelijk belang dat is gediend met een strafvervolging van verdachte - bezien tegen de achtergrond van de aard en de ernst van het ten laste gelegde - ten deze moet prevaleren boven het persoonlijk belang van de verdachte dat aan de tegen hem ingestelde strafvervolging een einde komt.
Het hof verwerpt het verweer"
5. Aldus is het verweer op toereikende, niet-onbegrijpelijke gronden verworpen.
6. Met name is niet onbegrijpelijk het in 's Hofs overwegingen besloten liggende oordeel dat het verstrijken van vier en een half jaar tussen de aanvang van de op redelijkheid te beoordelen termijn en het voltooiën van de berechting in eerste aanleg geen zó extreme, aan justitiële nalatigheid te wijten, vertraging oplevert dat met strafvermindering niet meer zou kunnen worden volstaan.
Voorts ligt in 's Hofs overwegingen besloten dat, anders dan de raadsman heeft betoogd, de behandeling in hoger beroep geen overschrijding van de redelijke termijn te zien heeft gegeven. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk en behoefde geen nadere toelichting, gelet op het door de raadsman genoemde tijdsverloop van achttien maanden.
Ten onrechte wordt in de toelichting op het middel uit HR NJ 2000, 721 afgeleid dat de rechter steeds moet laten zien dat het in acht nemen van de zogenaamde 'inzendtermijn' is gecontroleerd. Overigens blijkt uit de stukken van het geding dat er geen onnodige vertraging is opgetreden bij het doorsturen van de gedingstukken na het instellen van hoger beroep (die stukken zijn ongeveer zes en een halve maand na het instellen van hoger beroep bij het Hof binnengekomen).
7. In de toelichting op het middel ligt nog de klacht verscholen dat de mate waarin het Hof de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verminderd (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is, mede gelet op de in eerste aanleg opgelegde en de in hoger beroep gevoerde straf.
8. In de bestreden uitspraak is onder "Op te leggen straf" tamelijk uitvoerig uiteengezet waarom verzoeker ter zake van de bewezenverklaarde feiten een ernstig verwijt gemaakt moet worden. Deze opsomming van factoren die de ernst van het bewezenverklaarde en daarmee de zwaarte van de straf moeten bepalen heeft het Hof tot het oordeel gevoerd dat een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk geboden zou zijn geweest. Dat oordeel kan bepaald geen verbazing wekken, ook niet in het licht van de in eerste aanleg bepaalde straf van achttien maanden (met de overweging dat de Rechtbank zonder termijnoverschrijding drie jaar gepast had geleken), reeds omdat het onvoorwaardelijke deel van de in hoger beroep opgelegde straf (dat is, als ik mij niet verreken, zestien maanden) niet uitstijgt boven die in eerste aanleg bepaalde straf.
Om dezelfde reden noopte de strafeis in hoger beroep, eveneens achttien maanden, het Hof niet de strafoplegging nog weer nader te motiveren.
9. Het middel faalt.
10. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat uit de bestreden uitspraak niet blijkt dat het Hof heeft onderzocht of het Openbaar Ministerie in deze vervolging ontvankelijk is, voor zover het gaat om het onder 4 (subsidiair) tenlastegelegde feit, in verband met het bepaalde in art. 5, eerste lid, onder 2o, Sr en de in deze bepaling verlangde strafbaarheid in het land waarin het feit is begaan.
11. Als feit 4 subsidiair is, kort gezegd, bewezenverklaard dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan flessentrekkerij doordat hij, Nederlander, met gebruikmaking van de handelsnaam [A] BVBA bij vier gelegenheden, telkens op plaatsen in België, goederen heeft gekocht met het oogmerk die in bezit te krijgen zonder daarvoor te betalen.
12. In de bestreden uitspraak is art. 5 Sr Pro opgenomen bij de bepalingen waarop de strafoplegging berust. In de bestreden uitspraak is niet met zoveel woorden aandacht gewijd aan de vraag of het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde handelen naar Belgisch recht strafbaar is.
13. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de aangehechte pleitaantekeningen blijkt overigens evenmin dat de verdediging heeft betwist dat het onder 4 (primair en/of subsidiair) tenlastegelegde handelen naar Belgisch recht strafbaar is.
14. Bij de stukken bevinden zich documenten betreffende een verzoek tot overname van een in België aangevangen strafvervolging. Uit die stukken, met name aangiften van in België gevestigde bedrijven, blijkt dat dit verzoek tot overname van de strafvervolging betrekking heeft op de gedragingen die als feit 4 (primair en subsidiair) zijn tenlastegelegd.
Tot deze stukken behoort een brief gedateerd 30 oktober 2001, gericht tot de behandelend magistraat bij het parket van de Procureur des Konings te Antwerpen. In deze brief is namens de officier van justitie te Breda opgemerkt dat in het overgedragen dossier wordt gesproken over bedriegerij, strafbaar gesteld bij art. 496 Strafwetboek Pro, maar dat de officier van justitie voornemens is deze feiten te vervolgen als "flessentrekkerij", en de vraag voorgelegd of de feiten naar Belgisch recht ook in die vorm strafbaar zouden zijn.
Verder is bij deze stukken een brief te vinden, eveneens gedateerd 30 oktober 2001, waarin de Procureur des Konings D. Jordens deze vraag aldus heeft beantwoord dat het Nederlandse Openbaar Ministerie zich niet gebonden dient te achten aan de kwalificatie van de ter vervolging overgedragen feiten door de Belgische autoriteiten, en dat het in Nederland als "flessentrekkerij" bekende misdrijf naar Belgische recht slechts in enkele gevallen (die zich hierdoor kenmerken dat de benadeelde geen redelijke mogelijkheid heeft de solvabiliteit van zijn wederpartij te onderzoeken) het wanbedrijf van "afzetterij" oplevert.
15. Bij de beoordeling van dit middel zal uitgangspunt moeten zijn dat het Hof van de zojuist bedoelde stukken kennis heeft genomen.
Daarom zal er ook van uit gegaan kunnen worden dat het Hof aan de hand van deze stukken, waaronder de ter fine van strafvervolging overgedragen stukken van het parket van de Procureur des Konings te Antwerpen, heeft vastgesteld dat het onder 4 tenlastegelegde handelen naar Belgisch recht strafbaar is als het wanbedrijf strafbaar gesteld in art. 496 Strafwetboek Pro, welke bepaling luidt, voor zover hier van belang:
"Hij die, met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, zich (...) roerende goederen (...) doet afgeven of leveren, hetzij door het gebruikmaken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, (...) of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van lichtgelovigheid, wordt gestraft met (...)"
16. 's Hofs kennelijk oordeel dat het als feit 4 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verzoeker naar Belgisch recht het in art. 496 Strafwetboek Pro strafbaar gestelde wanbedrijf oplevert zodat de Nederlandse strafwet ingevolge het bepaalde in art. 5, eerste lid onder 2o Sr toepasselijk is, komt mij niet onbegrijpelijk voor. Daaraan doet niet af dat deze Belgische strafbaarstelling van het hier toegepaste art. 326a Sr in zoverre verschilt, dat de Belgische delictsomschrijving niet het bestanddeel kent dat van het kopen van de goederen "een beroep of gewoonte" is gemaakt.
17. De omstandigheid dat uit de bestreden uitspraak niet met zoveel woorden blijkt dat het Hof is nagegaan of het onder 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde handelen, telkens begaan op plaatsen in België, naar Belgisch recht strafbaar is behoeft niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak te voeren omdat niet blijkt dat in feitelijke aanleg door of namens verzoeker het tegendeel is beweerd, en de juistheid van 's Hofs kennelijk oordeel aanstonds kan worden vastgesteld.
18. Het middel faalt.
19. Het derde middel klaagt er over dat de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de gedingstukken te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden.
20. Aangezien het beroep is ingesteld op 10 mei 2006, terwijl de stukken van het geding op 5 maart 2007, derhalve bijna tien maanden later, bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de klacht terecht opgeworpen. Strafvermindering zal het gevolg moeten zijn doch om de opgelopen vertraging nog zoveel mogelijk te verminderen wordt deze conclusie bij vervroeging genomen.
21. In ieder geval het eerste middel leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, vermindering van die straf in verband met het overschrijden van de redelijke termijn voor behandeling van dit cassatieberoep, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,