ECLI:NL:PHR:2008:BC3928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onderhoudsplicht bij samenwoning met gehuwde partner in familierechtelijke procedure
In deze zaak verzoekt de man tot cassatie tegen een uitspraak waarbij zijn verzoek tot beëindiging of vermindering van de onderhoudsbijdrage aan zijn ex-echtgenote is afgewezen. De man baseert zijn verzoek primair op artikel 1:160 BW Pro BW, stellende dat de vrouw samenwoont met een andere man alsof zij gehuwd zijn. De vrouw is echter niet verschenen in de procedure en de man stelt dat de partner van de vrouw nog gehuwd is met een ander.
De rechtbank heeft in eerste aanleg de onderhoudsbijdrage verlaagd, maar het hof heeft het hoger beroep van de man afgewezen. Het hof oordeelde dat artikel 1:160 BW Pro niet van toepassing is indien de partner van de alimentatiegerechtigde nog gehuwd is met een ander, en dat de omstandigheden geen verdere vermindering rechtvaardigen.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg van artikel 1:160 BW Pro en wijst erop dat samenwonen met een gehuwde partner niet onder deze bepaling valt. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat de rechter vrij is bewijs te verlangen, ook bij verstek, en dat het ontbreken van verweer van de vrouw niet betekent dat het verzoek automatisch moet worden toegewezen. De klachten van de man worden verworpen, en het hof heeft de juiste procesregels toegepast.
De Hoge Raad benadrukt de noodzaak van maatwerk in alimentatiezaken en wijst op de restrictieve toepassing van artikel 1:160 BW Pro vanwege de zware consequenties voor de alimentatiegerechtigde. De cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt de cassatie en bevestigt dat de onderhoudsplicht niet eindigt omdat de partner van de alimentatiegerechtigde nog gehuwd is met een ander.