ECLI:NL:PHR:2008:BC5710
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Redelijkheid van vervangende aankoop bij onteigening en vaststelling schadeloosstelling
In deze zaak staat de vraag centraal of de door de onteigende gedane vervangende aankoop redelijk is in het kader van vervroegde onteigening en de vaststelling van de schadeloosstelling. De Staat had de onteigening gevorderd en bood een schadeloosstelling van € 375.000,-, terwijl de onteigende een hoger bedrag van € 537.900,- eiste. De rechtbank oordeelde dat de schadeloosstelling volledig moest zijn en stelde deze vast op € 516.020,-, gebaseerd op de vervangende aankoop van de onteigende.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de maatstaf voor schadeloosstelling, waarbij het uitgangspunt is dat de onteigende in staat moet worden gesteld zich een gelijkwaardig woongenot te verschaffen. Dit woongenot wordt objectief en zakelijk vastgesteld, waarbij affectieve factoren buiten beschouwing blijven. De rechtbank achtte de vervangende aankoop redelijk, ondanks verschillen in perceelgrootte en ligging, mede omdat het vervangende perceel vergelijkbare natuurwaarden biedt.
De Hoge Raad behandelt ook de discussie over het gebruik van aangrenzende gronden van derden door de onteigende en de vraag of dit gebruik bij de schadeloosstelling moet worden betrokken. Ook wordt ingegaan op de waardering van het onteigende en de vraag of de redelijkheid van de vervangende aankoop relevant is voor die waardering. De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank op bepaalde punten onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de zaak moet worden vernietigd en verwezen voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling.