ECLI:NL:PHR:2008:BC5724

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/014HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6:248 lid 1 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afgewezen schadevordering na beëindiging overeenkomst tussen Atlantic Cargo Services en M&S Mode

Atlantic Cargo Services B.V. (ACS) stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof waarin werd geoordeeld dat M&S Mode B.V. (M&S) gerechtigd was de samenwerkingsovereenkomst met ACS te beëindigen zoals zij dat heeft gedaan. ACS voerde meerdere middelen aan, waaronder motiveringsklachten en een verwijt van onjuiste rechtsopvatting.

Het hof had geoordeeld dat de overeenkomst geen leemte bevatte omtrent de vraag of voor beëindiging opzegging met inachtneming van een opzegtermijn vereist was, en dat M&S vrij stond de relatie te beëindigen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende rekening had gehouden met de door ACS aangevoerde feiten en omstandigheden en dat het oordeel over de brieven, waaronder die van 27 januari 1998, niet onbegrijpelijk was.

Verder verwierp de Hoge Raad het middel dat het hof zich onjuist had beraden door alleen de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid te onderzoeken (art. 6:248 lid 2 BW Pro) en niet de aanvullende werking (art. 6:248 lid 1 BW Pro), omdat het hof geen leemte in de overeenkomst had vastgesteld. Ook het bewijsaanbod van ACS werd terecht gepasseerd. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Atlantic Cargo Services wordt verworpen en de schadevordering afgewezen.

Conclusie

Rolnr. C07/014HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 22 febr. 2008
conclusie inzake
Atlantic Cargo Services B.V.
tegen
M&S Mode B.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door eiseres tot cassatie (hierna: ACS) ingestelde cassatieberoep berust op vier middelen. De voorgestelde middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat de Hoge Raad de klachten kan verwerpen met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
2. Middel 1 behelst een motiveringsklacht. Het hof wordt verweten bij zijn oordeel omtrent de vraag of het verweerster in cassatie (hierna: M&S) vrij stond de relatie met ACS te beëindigen zoals zij dat heeft gedaan, met een aantal door ACS aangevoerde omstandigheden geen rekening te hebben gehouden.
3. Het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft met zijn weergave in r.o. 3.5 van de omstandigheden die door ACS zijn aangevoerd ter verdediging van haar standpunt dat het M&S niet vrij stond de relatie te beëindigen zoals zij heeft gedaan, kennelijk een samenvatting gegeven van de door ACS in dit verband aangevoerde feiten en omstandigheden, waaronder de door het middel opgesomde feiten en omstandigheden. Het hof moet dan ook geacht worden, anders dan het middel het bestreden arrest leest, met de door het middel opgesomde feiten en omstandigheden rekening te hebben gehouden. Om aan zijn motiveringsplicht te voldoen behoefde het hof niet afzonderlijk op alle door ACS ter ondersteuning van haar standpunt aangevoerde feiten en omstandigheden in te gaan. Daarbij teken ik aan dat het middel niet aangeeft waarom de beweerdelijk niet door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden bij afzonderlijke behandeling tot een ander oordeel hadden moeten leiden, dan waartoe het hof is gekomen.
4. Middel 2 klaagt in de eerste plaats dat het hof niet duidelijk heeft gemaakt waarom het de inhoud van de in r.o. 3.6 van het bestreden arrest bedoelde brieven van belang heeft geoordeeld.
5. Deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. In het slot van r.o. 3.6 heeft het hof aangegeven dat het de inhoud van die brieven van belang heeft geoordeeld in verband met de vraag of ACS ervan uitging dat er voor M&S enige verplichting bestond de samenwerking met M&S te continueren, respectievelijk dat voor beëindiging van de relatie opzegging met inachtneming van een (korte of langere) opzegtermijn zou zijn vereist.
6. In de tweede plaats beklaagt middel 2 zich over het oordeel van het hof met betrekking tot de conclusies die getrokken kunnen worden uit de brieven en met name uit de slotzin van de brief van 27 januari 1998. Het oordeel van het hof zou zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn.
7. De klacht faalt, omdat het oordeel van het hof dat de inhoud van de brieven en in het bijzonder de inhoud van de brief van 27 januari 1998 geen grond geeft voor de conclusie dat ACS ervan uitging dat er voor M&S enige verplichting bestond de samenwerking met ACS te continueren, berust op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de brieven en, met name in het licht van de door het hof uit de brief van 27 januari 1998 geciteerde passages inzake de door ACS gedane voorstellen inzake haar tarieven, geenszins onbegrijpelijk is.
8. Middel 3 verwijt het hof zich van een onjuiste rechtsopvatting te hebben bediend en onbegrijpelijk te hebben beslist door aan de hand van art. 6:248 lid 2 BW Pro de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid te onderzoeken, doch niet aan de hand van art. 6:248 lid 1 BW Pro de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid te onderzoeken.
9. Het middel kan niet tot cassatie leiden, omdat het uit het oog verliest dat het hof bij zijn uitleg van de overeenkomst van partijen niet heeft vastgesteld dat de overeenkomst (ten aanzien van de vraag of voor beëindiging opzegging met inachtneming van een opzegtermijn is vereist) een leemte bevat. Naar 's hofs uitleg van de overeenkomst (r.o. 3.5 en 3.6) kent de overeenkomst geen leemte op dit punt en stond de overeenkomst M&S toe de relatie met ACS te beëindigen zoals zij dat heeft gedaan. Waar de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid pas aan de orde komt, indien de overeenkomst een leemte bevat (vgl. Asser-Hartkamp II, nr. 307), valt niet in te zien in welk opzicht het hof het recht heeft geschonden of onbegrijpelijk heeft beslist door niet aan de hand van art. 6:248 lid 1 BW Pro de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid te onderzoeken.
10. Middel 4, dat in zijn klacht tegen de beslissing van het hof om het bewijsaanbod van ACS te passeren, voortbouwt op middel 1, zal het lot daarvan moeten delen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,