ECLI:NL:PHR:2008:BC5812
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over gebruikersbelasting bij pand in aanbouw en het begrip gebruik in OZB
In deze zaak staat centraal de vraag of de eigenaar, bezitter of beperkt gerechtigde van een bouwterrein met een in aanbouw zijnde opstal als gebruiker van een onroerende zaak in de zin van artikel 220, onderdeel a, Gemeentewet moet worden beschouwd voor de heffing van de gebruikersbelasting.
Belanghebbende, eigenaar van een kantoorgebouw in aanbouw, stelde dat hij niet als gebruiker kon worden aangemerkt omdat het pand nog niet geschikt was voor gebruik in de zin van de Verordening en Gemeentewet. Het Hof oordeelde echter dat degene die een onroerende zaak bouwt of laat bouwen deze ter bevrediging van zijn behoeften bezigt en dus gebruiker is. Belanghebbende stelde in cassatie dat deze uitleg niet strookt met het rechtsgevoel en dat het begrip gebruik niet zo ruim moet worden uitgelegd.
De Hoge Raad bevestigt de bestaande jurisprudentie dat het begrip gebruik een verruiming is van het eerdere begrip feitelijk gebruik en dat het bezigen van een onroerende zaak tijdens de bouw of verbouwing als gebruik moet worden gezien. Ook het bezigen van een ongebouwd eigendom om daarop te bouwen valt hieronder. Het hof heeft het oordeel voldoende gemotiveerd en het middel faalt. Tevens wordt bevestigd dat geschillen over het begrip gebruik in bezwaar- en beroepsprocedures tegen de aanslag moeten worden behandeld en niet in procedures over WOZ-beschikkingen.
De conclusie is dat de eigenaar van een pand in aanbouw als gebruiker moet worden aangemerkt voor de gebruikersbelasting, ook als het pand nog niet geschikt is voor het uiteindelijke gebruik. Dit oordeel sluit aan bij de parlementaire geschiedenis en eerdere jurisprudentie en wordt niet gewijzigd door het feit dat sommige gemeenten aanslagen bij panden in aanbouw niet opleggen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de eigenaar van een pand in aanbouw als gebruiker in de zin van de gebruikersbelasting moet worden aangemerkt.