ECLI:NL:PHR:2008:BC5975
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening wegens ernstige twijfel aan juiste identiteit verdachte bij poging tot diefstal
Op 13 november 2003 werden twee personen aangehouden in een auto waarin een ruitentikker werd aangetroffen, nadat het alarm van een andere auto was afgegaan en een ruit was ingeslagen. De aangehouden bestuurder, aangeduid als aanvrager, werd later veroordeeld voor poging tot diefstal bij verstek.
De aanvrager stelde in zijn herzieningsverzoek dat hij niet de dader was en dat sprake was van persoonsverwisseling, onderbouwd met verklaringen van zijn echtgenote en een werkgever die aantoonde dat hij op het moment van het delict op zijn werk was. Daarnaast werd aangevoerd dat zijn broer mogelijk zijn identiteit gebruikte.
Nader onderzoek toonde aan dat er geen identificerende gegevens zoals vingerafdrukken of foto's waren genomen, en dat de bewijsvoering volledig steunde op de verklaring van de aangehouden persoon zelf. De verklaringen van getuigen en werkgevers bevestigden dat de aanvrager op het moment van het delict elders was. Hierdoor ontstond een ernstige twijfel over de identiteit van de aangehouden verdachte.
De Procureur-Generaal concludeerde dat deze omstandigheden het ernstige vermoeden wekken dat de rechter, indien hiermee bekend, de aanvrager zou hebben vrijgesproken. Daarom verklaarde de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond, schorste zo nodig de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling wegens ernstige twijfel over de identiteit van de aangehouden verdachte.