ECLI:NL:PHR:2008:BC6241

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01078/07 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36c SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onttrekking aan verkeer van omgekatte auto ondanks eigendom en goede trouw

In deze zaak stond de vraag centraal of een inbeslaggenomen auto, waarvan het motorblok en de versnellingsbak afkomstig zijn uit een gestolen auto, teruggegeven kan worden aan de eigenaar die te goeder trouw is en niet als verdachte wordt beschouwd.

De rechtbank had geoordeeld dat het ongecontroleerde bezit van de omgekatte auto afbreuk doet aan de effectieve bestrijding van handel in gestolen auto's en daarom onttrekking aan het verkeer gerechtvaardigd is. Dit oordeel was gebaseerd op artikel 36c Sr en werd niet onbegrijpelijk of onjuist bevonden.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De stelling dat het eigendom en de goede trouw van klaagster het bezit rechtvaardigen, leidt niet tot een andere uitkomst. Ook werd geen onvoldoende motivering vastgesteld. De Hoge Raad zag geen reden om ambtshalve te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de auto blijft onttrokken aan het verkeer.

Conclusie

Nr. 01078/07 B
Mr. Schipper
Zitting: 4 maart 2008
Conclusie inzake:
[klaagster]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 8 maart 2007 waarbij het beklag strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen personenauto aan klaagster ongegrond is verklaard.
2. Namens de verdachte heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Velp, cassatie ingesteld en hij heeft tevens een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Het middel richt zich tegen de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag. Daarbij heeft de steller van het middel aangevoerd dat de beslissing van de rechtbank niet (voldoende) begrijpelijk is, nu vaststaat dat de inbeslaggenomen auto eigendom is van klaagster en zij niet als verdachte wordt aangemerkt van enig strafbaar feit. Voorts is, gelet op het feit dat klaagster te goeder trouw is, het bezit van een dergelijke auto niet in strijd is met de wet of het algemeen belang.
4. De rechtbank heeft op grond van de stukken vastgesteld dat het motorblok en de versnellingsbak van de inbeslaggenomen auto afkomstig zijn uit een gestolen auto en op grond daarvan geoordeeld dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de auto zal onttrekken aan het verkeer.
In deze overwegingen ligt het oordeel van de rechtbank besloten dat het ongecontroleerde bezit van de inbeslaggenomen omgekatte auto van zodanige aard is dat het afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto's bedreven handel en dat dit ongecontroleerde bezit daarom in strijd is met de wet of het algemeen belang. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.(1)
De omstandigheden die door de steller van het middel zijn aangevoerd, te weten dat de inbeslaggenomen auto eigendom is van klaagster, zij niet als verdachte wordt aangemerkt van enig strafbaar feit en dat klaagster te goeder trouw is, brengen niet mee dat er geen sprake kan zijn van ongecontroleerd bezit in de zin van artikel 36c Sr en staan aan de oplegging van de maatregel van onttrekking aan het verkeer niet in de weg.(2)
Anders dan de steller van het middel betoogt, is van een niet toereikende motivering van het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
5. Het voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie o.a. HR 11 november 2003, LJN: AL6178 en HR 12 november 2002, NJ 2003, 595.
2 Zie de conclusie van AG Vellinga in HR 14 juni 2005, LJN: AT4091.