ECLI:NL:PHR:2008:BC6582
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum wettelijke rente bij afrekening wettelijk deelgenootschap na echtscheiding
Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een wettelijk deelgenootschap. Na hun echtscheiding ontstond een geschil over de afrekening van de vermogensvermeerdering en de datum waarop wettelijke rente over het aan de vrouw toe te keren bedrag verschuldigd werd.
De rechtbank stelde de afrekening vast en kende rente toe vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis. Het hof oordeelde dat de rente vanaf de ontbinding van het huwelijk (18 februari 1998) verschuldigd was, omdat de aanspraak vanaf dat moment ontstond. De man stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad benadrukte dat wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim raakt, wat in beginsel een ingebrekestelling met redelijke termijn vereist. De vordering is weliswaar onmiddellijk opeisbaar bij het einde van het deelgenootschap, maar verzuim treedt pas in na ingebrekestelling of op grond van redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van wettelijke rente bij afrekening van het wettelijk deelgenootschap na echtscheiding, waarbij het moment van verzuim bepalend is voor renteverschuldigdheid, niet het moment van ontbinding van het huwelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug, met de overweging dat wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf het moment van verzuim na ingebrekestelling.