ECLI:NL:PHR:2008:BC6732

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00605/07 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 SrArt. 75 SrArt. 511g lid 2 SvArt. 588 lid 1 SvArt. 590 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vervolging wegens overlijden veroordeelde en nietige oproeping hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage het door de veroordeelde uit valsheid in geschrift en oplichting verkregen voordeel vastgesteld en een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd. Namens de verdachte werden zes middelen van cassatie voorgesteld.

De Hoge Raad concludeerde dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep niet op de juiste wijze was betekend, omdat deze was uitgereikt aan de griffier terwijl de veroordeelde vanaf een later moment wel een bekend woonadres had. Hierdoor had het hof de oproeping nietig moeten verklaren.

Daarnaast was de veroordeelde overleden op 7 september 2007, waardoor volgens art. 69 Sr Pro het recht tot strafvervolging vervalt. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de veroordeelde.

De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de nietigheid van de oproeping en het overlijden van de veroordeelde leiden tot het verval van het vervolgingsrecht, waardoor het hoger beroep niet kan worden voortgezet.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens overlijden veroordeelde en nietige oproeping hoger beroep.

Conclusie

Nr. 00605/07 P
Mr. Vellinga
Zitting: 19 februari 2008
Nadere conclusie inzake:
[Betrokkene = veroordeelde]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het door de veroordeelde uit valsheid in geschrift en oplichting verkregen voordeel vastgesteld op € 127,361,67 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 110.000,--.
2. Namens de verdachte hebben mr. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.
3. In deze zaak heb ik op 15 januari 2008 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. Op verzoek van de Hoge Raad neem ik een nadere conclusie.
4. Blijkens een door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Vlissingen opgemaakte akte van overlijden is de veroordeelde op 7 september 2007 aldaar overleden. Ingevolge art. 69 Sr Pro is het recht tot strafvervolging daardoor in deze zaak vervallen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, behoudens voor zover daarbij het in eerste aanleg gewezen vonnis is vernietigd, en dat de Hoge Raad het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de veroordeelde.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Nr. 00605/07 P
Mr. Vellinga
Zitting: 15 januari 2008
Conclusie inzake:
[Betrokkene = veroordeelde]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het door de veroordeelde uit valsheid in geschrift en oplichting verkregen voordeel vastgesteld op € 127,361,67 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 110.000,--.
2. Namens verdachte hebben mr. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het tweede middel is betreft de geldigheid van de betekening van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.
4. De oproeping is op 1 mei 2003 uitgereikt aan de griffier omdat van de veroordeelde ten tijde van de uitreiking geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was. De veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 juni 2003 niet verschenen.
5. Blijkens een zich bij de stukken bevindend GBA-overzicht d.d. 5 maart 2007 was de verdachte vanaf 8 april 2003 tot 11 augustus 2003 woonachtig op het adres [a-straat 1] te [plaats].
6. Het voorgaande betekent dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 511g lid 2 Sv) niet op de juiste wijze is betekend, hetgeen nu de veroordeelde niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, meebrengt dat het Hof, gelet op het bepaalde in art. 588 lid Pro 1 (oud) jo 590 Sv, de oproeping nietig had dienen te verklaren(1).
7. Het middel slaagt. Doelmatigheidshalve kan de Hoge Raad de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep zelf nietig verklaren.
8. Gelet op het voorgaande kunnen de overige middelen buiten bespreking blijven.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch, rov. 3.29