ECLI:NL:PHR:2008:BC6744

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/328HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 lid 1 onder d BWArt. 1:89 BWArt. 1:88 lid 3 juncto art. 7A:1576i lid 1 BWArt. 402 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging huurkoopovereenkomst wegens ontbreken toestemming echtgenote

De zaak betreft een huurkoopovereenkomst van een auto tussen Rental Lease en [betrokkene 1], waarbij de echtgenote van [betrokkene 1], [verweerster], geen schriftelijke toestemming heeft gegeven zoals vereist op grond van art. 1:88 lid 1 onder Pro d BW. Na diverse procedures en een eerdere vernietiging van vonnissen, heeft het hof te Den Haag de overeenkomst vernietigd wegens het ontbreken van deze toestemming en het niet verwerken van het recht tot vernietiging door [verweerster].

Rental Lease voerde verweren aan, waaronder stilzwijgende bevestiging van de overeenkomst door [verweerster], en dat de auto hoofdzakelijk voor beroepsdoeleinden was aangeschaft, waardoor toestemming niet vereist zou zijn. Het hof verwierp deze verweren wegens onvoldoende bewijs en het ontbreken van schriftelijke toestemming. Ook stelde het hof dat de omstandigheden niet tot rechtsverwerking leidden, ondanks dat [verweerster] pas vlak voor het verstrijken van de verjaringstermijn haar vordering instelde.

In cassatie richtte Rental Lease zich tegen het oordeel van het hof, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten. De Hoge Raad bevestigde dat schriftelijke toestemming vereist is en dat stilzwijgende bevestiging slechts geldt indien de vernietigbaarheid bekend was en afstand werd gedaan. Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de auto niet hoofdzakelijk voor beroepsdoeleinden was aangeschaft en dat er geen sprake was van rechtsverwerking. De conclusie van de Advocaat-Generaal is om het cassatieberoep te verwerpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vernietiging van de huurkoopovereenkomst wegens ontbreken van schriftelijke toestemming van de echtgenote.

Conclusie

Rolnr. C06/328HR
mr. L. Timmerman
14 maart 2008
Conclusie inzake:
Westminster Rental B.V. handelend onder de naam Rental Lease
(hierna: Rental Lease)
Eiseres tot cassatie
tegen
[Verweerster]
Verweerster in cassatie
Onderwerp van geschil is een door Rental Lease aan [betrokkene 1] (hierna [betrokkene 1]) in huurkoop verkochte auto. Deze auto is eerder voorwerp van geschil geweest in de aan uw Raad voorgelegde zaak die uitmondde in HR 8 juli 2005, NJ 2006, 22. In die zaak betrof het de ontbinding van de huurkoopovereenkomst. Uw Raad heeft de arresten van het hof te Den Haag in die zaak vernietigd en de zaak verwezen naar het hof te Amsterdam. In de onderhavige zaak betreft het de vernietiging door het hof te Den Haag van de huurkoopovereenkomst op grond van het ontbreken van toestemming van de echtgenote van de huurkoper in de zin van art. 1:88 lid 1 onder Pro d BW. In cassatie gaat het met name om de vraag of het oordeel van het hof dat toestemming vereist is en de echtgenote haar recht tot vernietiging niet verwerkt heeft begrijpelijk is.
1. Feiten(1)en procesverloop
1.1 De echtgenoot van [verweerster], [betrokkene 1], heeft op 29 november 2000 een auto in huurkoop gekocht van Rental Lease voor een bedrag van fl. 19.750,-. [Betrokkene 1] heeft fl. 5.302,80 aanbetaald. Het restant fl. 22.402,80 inclusief rente, moest worden betaald in 36 maandelijkse termijnen van fl. 622,30. Tussen 1 december 2000 en 1 februari 2001 zijn verschillende reparaties uitgevoerd aan de auto. Aangezien de auto ook nadien nog gebreken vertoonde, beantwoordde deze volgens [betrokkene 1] niet aan de overeenkomst. [Betrokkene 1] heeft betaling van de termijnen gestaakt. Vanwege het uitblijven van de termijnbetalingen heeft Rental Lease de auto op 10 oktober 2001 laten ophalen. Rental Lease heeft de auto vervolgens verkocht aan een derde.
1.2 [Betrokkene 1] heeft een procedure aanhangig gemaakt tegen Rental Lease en heeft daarbij ontbinding van de huurkoopovereenkomst en betaling van fl. 8.074,- met rente en kosten gevorderd. Rental Lease heeft in reconventie eveneens ontbinding gevorderd en daarnaast (onder meer) betaling van fl. 12.350,73. In eerste aanleg is de vordering van [betrokkene 1] afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen. Het hof te Den Haag heeft dat vonnis bij arresten van 12 september 2003 en 7 mei 2004 bekrachtigd. Deze uitspraken zijn bij arrest van 8 juli 2005 door Uw Raad vernietigd, waarna de zaak is verwezen naar het hof te Amsterdam.
1.3 Bij dagvaarding van 27 november 2003 heeft [verweerster] Rental Lease gedagvaard en vernietiging gevorderd van de huurkoopovereenkomst op grond van art. 1:89 BW Pro, omdat deze overeenkomst in strijd met art. 1:88 lid 1 onder Pro d BW zonder haar toestemming is aangegaan. Tevens heeft [verweerster] gevorderd Rental Lease te veroordelen tot betaling van € 8.962,16 met rente en kosten.
1.4 Bij verstekvonnis van 16 december 2003 heeft de rechtbank Den Haag, sector kanton, de vorderingen toegewezen. Rental Lease is bij dagvaarding van 13 januari 2004 in verzet gekomen tegen dit vonnis. Bij akteverzoeken van 12 februari 2004 heeft Rental Lease een aantal producties overgelegd. De sector kanton van de rechtbank heeft bij vonnis van 6 mei 2004 het verstekvonnis vernietigd en de vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft daarbij van doorslaggevende betekenis geacht dat het gelet op de omstandigheden van het geval in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dan wel dat [verweerster] haar recht heeft verwerkt om de vordering alsnog in te stellen.
1.5 [Verweerster] heeft bij dagvaarding van 5 augustus 2004 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. [Verweerster] heeft vier grieven aangevoerd. Bij arrest van 17 augustus 2006 heeft het hof te Den Haag het bestreden vonnis vernietigd en het verstekvonnis bekrachtigd.
1.6 Het hof heeft hierbij overwogen dat het gaat om een overeenkomst als bedoeld in art. 1:88 lid 1 onder Pro d BW waarvoor toestemming van de echtgenoot is vereist. Het hof stelt in rov. 4 vast dat de toestemming van [verweerster] ontbreekt en [verweerster] binnen de geldende verjaringstermijn de vernietiging op grond van art. 1:89 BW Pro heeft ingeroepen.
1.7 Voorts overweegt het hof dat Rental Lease (in eerste aanleg) heeft aangevoerd dat, nu de overeenkomst tussen haar en [betrokkene 1] rechtens is ontbonden, daarvan geen vernietiging meer kan worden gevraagd. Daargelaten dat het vonnis waarbij de ontbinding is uitgesproken, gelet op de verwijzing na cassatie, nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, heeft de rechtbank volgens het hof terecht overwogen dat aan vernietiging andere, verdergaande, rechtsgevolgen zijn verbonden dan aan ontbinding. [Verweerster] heeft dan ook belang (behouden) bij haar vordering.
1.8 Rental Lease heeft het verweer naar voren gebracht dat [betrokkene 1] de auto mede heeft gekocht ten behoeve van zijn beroep of bedrijf, zodat op grond van art. 1:88 lid 1 onder Pro d BW geen toestemming was vereist. Het hof overweegt in rov. 7 dat Rental Lease ter onderbouwing van dit gemotiveerd betwiste verweer onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden opgemaakt dat de aanschaf van de auto "kennelijk uitsluitend of hoofdzakelijk" ten behoeve van de normale uitoefening van [betrokkene 1]'s beroep of bedrijf strekte. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat vaststaat dat [betrokkene 1] een WAO-uitkering ontvangt en over een gehandicaptenvergunning beschikt. Aan nadere bewijslevering, zoals bij memorie van antwoord aangeboden, komt het hof niet toe.
1.9 Het hof overweegt vervolgens dat de gevorderde vernietiging voor toewijzing gereed ligt, tenzij bijzondere omstandigheden daaraan in de weg staan. Het hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat zodanige omstandigheden zich in het onderhavige geval niet voordoen. Het hof overweegt daartoe in rov. 9 het volgende. De omstandigheid dat [verweerster] reeds daags nadat [betrokkene 1] de overeenkomst was aangegaan daarmee bekend is geworden, maar eerst kort voor het verstrijken van de verjaringstermijn van drie jaar haar vordering tot vernietiging heeft ingesteld, brengt volgens het hof niet mee dat zij haar recht heeft verwerkt. Het hof verwerpt de stelling van Rental Lease dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [verweerster] haar recht niet geldend zou maken. Mogelijke uitlatingen of gedragingen van [verweerster] die dat standpunt ondersteunen zijn volgens het hof gesteld noch gebleken. Evenmin kan Rental Lease dit naar het oordeel van het hof afleiden uit het verrichten van betalingen vanaf een rekening waarvan [verweerster] mederekeninghouder is. Dat [verweerster] het verloop van de door [betrokkene 1] aanhangige procedure zou hebben afgewacht alvorens de haar toekomende rechtsvordering in te roepen, maak het voorgaande niet anders.
1.10 Tegen dit arrest van het hof heeft Rental Lease(2) tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel richt zich tegen overwegingen van het hof onder 4, 7, 9 en 10. Het middel bestaat uit drie onderdelen. Het gaat hier om klachten die te vinden zijn onder 1.1, 1.2 en 1.3. De onderdelen 1.4 en 1.5 behelzen geen zelfstandige klacht.
2.1 Onderdeel 1.1 bevat twee klachten. De eerste klacht is verwoord in de eerste twee alinea's en komt erop neer dat het hof door in rov. 4 vast te stellen dat niet in geschil is dat de toestemming van [verweerster] in de zin van art. 1:88 lid 1 onder Pro d BW ontbreekt ten onrechte voorbij is gegaan aan de in de conclusie van repliek in oppositie (p. 2, 3e alinea) opgeworpen stelling van Rental Lease dat [verweerster] de overeenkomst door haar opstelling stilzwijgend heeft bevestigd althans redelijkerwijs de schijn van vertrouwen daarop heeft gewekt.
2.2 Deze klacht faalt. Op grond van art. 1:88 lid 3 juncto Pro art. 7A:1576i lid 1 BW dient de toestemming schriftelijk te worden verleend. Aan dit vereiste is niet voldaan. Uit de gedingstukken blijkt niet dat hierover geschil bestaat. Rental Lease heeft zich niet op het standpunt gesteld dat [verweerster] schriftelijk toestemming heeft verleend. Voor het antwoord op de vraag of schriftelijke toestemming is verleend is niet van belang of [verweerster] de overeenkomst achteraf stilzwijgend heeft bevestigd d.w.z. stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om ex art. 1:89 BW Pro vernietiging van de huurkoop in te roepen. Indien geen schriftelijke toestemming is gegeven, kan bij het inroepen van de vernietiging de vraag aan de orde komen of de overeenkomst na het sluiten daarvan is bevestigd. De vaststelling dat toestemming ontbreekt sluit niet uit dat er in een latere fase sprake kan zijn geweest van stilzwijgende bevestiging van het sluiten van de huurkoopovereenkomst achteraf. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat de toestemming in de zin van art. 1:88 lid 1 onder Pro d BW ontbreekt.
2.3 Voor het overige bevat het onderdeel de klacht dat het onbegrijpelijk is dat het hof geen stilzwijgende bevestiging van de overeenkomst door [verweerster] heeft aangenomen. Deze stilzwijgende bevestiging is volgens het onderdeel af te leiden uit de in de memorie van antwoord ( ad grief 2: p. 4, 3e en 4e alinea; ad grief 4: p. 6, 1e alinea) verwoorde feiten en gedragingen van [verweerster], waaronder de omstandigheid dat zij als echt- en huisgenote van [betrokkene 1] de auto mede is gaan gebruiken en betalen. Het onderdeel voert aan dat in geval van stilzwijgende bevestiging geen beroep kan worden gedaan op de vernietigingsgrond. Het is dan ook volgens het onderdeel onbegrijpelijk dat het hof niet gemotiveerd heeft waarom uit de door Rental Lease gestelde feiten en omstandigheden, die bovendien niet expliciet zijn betwist, geen stilzwijgende bevestiging is af te leiden.
2.4 Dit middelonderdeel faalt. Van een stilzwijgende bevestiging is slechts sprake als degene die bevestigt wist dat de rechtshandeling vernietigbaar was en hij de opheffing van het gebrek en het definitief geldig worden van de rechtshandeling beoogt. In de memorie van grieven onder 11 wordt aangegeven dat [verweerster] in april 2003 had ontdekt dat ze het recht had de overeenkomst op grond van art. 1:88 BW Pro te vernietigen. De oorzaak hiervan was dat haar dochter hierop bij haar studie notarieel recht in haar leerstof stuitte. Als produktie 4 bij de memorie van grieven is een verklaring van de dochter van [verweerster] bijgevoegd waarin deze gang van zaken wordt bevestigd. In de memorie van grieven onder 11 wordt gesteld dat [verweerster] de mogelijkheid tot ontbinding aan haar raadsvrouw heeft voorgelegd met het verzoek een gerechtelijke procedure tegen Rental Lease te starten. Als produktie 5 is een brief van de raadsvrouw bijgevoegd d.d. 23 april 2003. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat een beroep op art.1:88 BW Pro na het hoger beroep haar inziens met inachtneming van de verjaringstermijn openstaat. In de memorie van grieven onder 24 stelt [verweerster] dat ze gezien het feit dat haar echtgenoot een ontbindingsprocedure aanhangig had gemaakt, hetgeen ook kosten met zich mee had gebracht, besloot op advies van haar raadsvrouw om het resultaat van die procedure af te wachten. Indien haar echtgenoot in het gelijk zou worden gesteld, zou de overeenkomst ophouden te bestaan. In de memorie van antwoord heeft Rental Lease niet betwist dat [verweerster] pas in april 2003 van de mogelijkheid tot vernietiging van de overeenkomst op de hoogte was. [Verweerster] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij na bekendwording met de vernietigingsmogelijkheid de kwestie heeft voorgelegd aan haar raadsvrouw en vervolgens het voornemen bestond de vernietiging van de overeenkomst indien nodig alsnog in te roepen. Dit wordt ook bevestigd door de overgelegde produkties en wordt als zodanig niet door Rental Lease betwist. Tegen deze achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het hof niet tot het oordeel is kunnen komen dat sprake was van stilzwijgende bevestiging. Een en ander behoefde geen nadere motivering.
2.5 Onderdeel 1.2 behelst de klacht dat het hof in rov. 7 ten onrechte heeft overwogen dat Rental Lease onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden opgemaakt dat de aanschaf van de auto "kennelijk uitsluitend of hoofdzakelijk" ten behoeve van de normale uitoefening van [betrokkene 1]'s beroep strekte. Dit oordeel van het hof is volgens het onderdeel onbegrijpelijk, omdat [betrokkene 1] aan de medewerkers van Rental Lease mededelingen heeft gedaan over de noodzaak om over de auto te kunnen beschikken voor het uitoefenen van zijn bedrijf. Rental Lease heeft een en ander zowel in eerste aanleg (verzetdagvaarding p. 4 onder III onderaan) als in hoger beroep (memorie van antwoord, p. 6, 2e alinea) uitdrukkelijk en gespecificeerd gesteld. De medewerkers kunnen hieromtrent een verklaring afleggen. Dit betreft volgens het onderdeel een voldoende gemotiveerd aanbod van bewijs van een voldoende specifiek gemaakte, relevante stelling, tot welk bewijs Rental Lease had dienen te worden toegelaten.
2.6 Ook dit onderdeel faalt. Rental Lease heeft op in het onderdeel aangeduide plaatsen in de gedingstukken niets gesteld over het aanschaffen van de auto uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van het eventuele beroep of bedrijf van [betrokkene 1]. Bewezen zou dienen te worden dat de auto was aangeschaft kennelijk uitsluitend of hoofdzakelijk ten behoeve van de normale uitoefening van beroep of bedrijf. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 1] verklaard zou hebben dat hij de auto voor zijn bedrijf zou gaan gebruiken kan niet leiden tot het voornoemde bewijs.
2.7 Onderdeel 1.3 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 9 dat de door Rental Lease ingenomen stelling dat zij gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat [verweerster] haar recht niet geldend zou maken wordt verworpen. Het hof overweegt daartoe dat mogelijke uitlatingen of gedragingen van [verweerster] die dat standpunt ondersteunen niet zijn gesteld of gebleken. Evenmin kan Rental Lease het niet geldend maken van het recht volgens het hof afleiden uit het verrichten van betalingen vanaf een rekening waarvan [verweerster] mederekeninghouder is. Dat [verweerster] het verloop van de door [betrokkene 1] aanhangig gemaakte procedure zou hebben afgewacht alvorens de haar toekomende rechtsvordering in te roepen, maakt het voorgaande volgens het hof niet anders. Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat Rental Lease wel gedragingen van [verweerster] gesteld heeft. Het onderdeel verwijst naar de stellingen van Rental Lease in eerste aanleg zoals deze zijn verwoord door de rechtbank in rov. 2.3 en naar de feiten en omstandigheden die Rental Lease in hoger beroep heeft gesteld (memorie van antwoord grief 2: p. 4, 3e en 4e alinea; grief 4: p. 6, 1e alinea). Volgens het onderdeel is betaling vanaf een rekening waarvan [verweerster] mederekeninghouder is als een gedraging van [verweerster] aan te merken.
2.8 Enkel tijdsverloop dan wel louter stilzitten is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldeiser onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard ingeval de schuldenaar zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Het hof heeft geoordeeld dat geen mogelijke uitlatingen en gedragingen van [verweerster] zijn gesteld of gebleken op grond waarvan Rental Lease er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zij haar recht niet geldend zou maken. Dit is mijns inziens niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. Ik verwijs naar de in onderdeel 2.4 van deze conclusie geschetste gang van zaken. Rental Lease heeft dan wel gedragingen gesteld, maar het hof is van oordeel dat die gedragingen niet tot de slotsom leiden dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. Het middelonderdeel faalt.
2.9 Het onderdeel voert voorts aan dat het hof zijn taak als feitenrechter heeft miskend door na te laten het recht van [verweerster] om de vernietiging van de overeenkomst in te roepen te toetsen aan de rechtsbeginselen van redelijkheid en billijkheid, waarbij de door Rental Lease geschetste feiten en omstandigheden alsmede het door Rental Lease gestelde gewekte vertrouwen in verband met de gedragingen van [verweerster] aan de orde dienden te komen.
2.10 Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft wel degelijk getoetst aan de redelijkheid en billijkheid, maar heeft geconcludeerd dat de redelijkheid en billijkheid niet aan de vernietiging van de overeenkomst in de weg staat. In het kader van de vraag of sprake is van rechtsverwerking heeft het hof getoetst aan de redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft geoordeeld dat geen bijzondere omstandigheden aan toewijzing van de gevorderde vernietiging in de weg staan. Rental Lease diende er in eerste instantie rekening mee te houden dat [verweerster] niet van de mogelijkheid tot vernietiging op de hoogte was. Nadat zij daarvan wel op de hoogte was, heeft zij niets gedaan waaruit blijkt dat zij afstand zou doen van haar recht tot vernietiging.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie het bestreden arrest.
2 Op grond van art 402 lid 1 Rv Pro bedraagt de cassatietermijn drie maanden. Rental Lease heeft op 16 november 2006 beroep in cassatie ingesteld tegen het bestreden arrest d.d. 17 augustus 2006.