ECLI:NL:PHR:2008:BC7418
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt universele rechtsmacht Nederland voor marteling in intern gewapend conflict en verwerpt immuniteits- en verjaringsverweren
De zaak betreft de vervolging van een voormalige Afghaanse veiligheidsdienstchef die in de jaren tachtig en negentig martelingen pleegde tijdens een intern gewapend conflict in Afghanistan. De verdachte zocht vreemdelingenrechtelijke bescherming in Nederland, waarna hij werd vervolgd op grond van de Wet oorlogsstrafrecht (WOS).
De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse rechter universele rechtsmacht heeft over deze feiten, ook al betreft het een intern gewapend conflict. Het hof oordeelde terecht dat de rechtsmacht niet beperkt wordt door het ontbreken van een volkenrechtelijke machtiging in die periode. Immuniteit van de verdachte als gezagsdrager wordt verworpen, omdat deze niet geldt voor onderministers of voormalige gezagsdragers.
De Hoge Raad stelt dat de feiten niet verjaard zijn, mede op grond van artikel 10 WOS Pro, dat de verjaring van ernstige oorlogsmisdrijven uitsluit. De strafbaarheid van marteling in een intern gewapend conflict wordt bevestigd, waarbij het gemeenschappelijk artikel 3 van Pro de Geneefse verdragen als norm geldt. De verdediging had voldoende gelegenheid tot een eerlijk proces, ondanks de complexiteit van het bewijs en de buitenlandse locatie van getuigen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot 12 jaar gevangenisstraf voor marteling en schending van de wetten van oorlog in een intern gewapend conflict.